Browse by Tag - Quagmiron
- Sorted by
- Date
- Most popular
- Most commented
-
Nieuwe web-log, levensupdate
June 03, 2008Binnenkort start ik een nieuwe web-log, buiten my.pokernews.com om. Daarop ga ik al mijn geschreven stukken zetten. Ik zal er verhalen gaan typen, zoals bijvoorbeeld het doorlopende verhaal over Christel, Christoph, Mayra, en de hele zooi eromheen.
Ik ben ook bezig met het maken van een concept van een boek, waardoor ik eigenlijk best weinig tijd over houd om me echt goed te focussen op mijn web-log. Daarom wordt-ie minder vaak geupdate. Ik kan me niet zo goed focussen op twee aparte projecten, als het gaat om schrijven.
Op de nieuwe web-log ga ik enkele scenes zetten. Dus enkel één scène per verhaal. Via reacties kunnen jullie laten weten welke scène jullie het meest aanspreekt, en daaromheen zal ik dan een verhaal schrijven/typen (wat is het nou eignelijk? Typen, toch?). Dus als voorbeeld:
Ik schrijf een scène over het verhaal van Christoph, en nog twee andere losse scenes. De scene waarbij jullie het verhaal willen horen, daar omheen ga ik een verhaal schrijven op die betreffende web-log waarvan ik de link later bekend zal maken.
Oke, tot zover mijn nieuwe web-log.
Verder schrijf ik tegenwoordig voor Pokernews het PokerNews Nieuws (dat is vaak 'nieuws' in een zin). De 'Tommy van Avermaete' boven de artikelen ben ik. Hebben jullie suggesties, nieuws-items, of iets anders op- of aan te merken over het nieuws, dan kan je bij mij terecht. Daarmee ben ik vrij druk, elke dag. Verder schrijf ik nog voor wat voetbalsites (http://www.oranjebytes.nl, http://www.ek2008voetbal.nl, http://www.voetbalreport.nl, etc. etc.) af en toe een artikel.
Behalve schrijven ben ik ook vrij veel aan het lezen. Zo lees ik bijvoorbeeld wetenschappelijke boeken over schrijven (hoe houd je spanning in een verhaal? Hoe introduceer je karakters in je verhaal? Dat soort dingen), maar ook filosofische boeken. Uiteraard lees ik ook vrij veel romans. Ik heb ongeveer het hele oeuvre (= alle boeken van één schrijver) van Ronald Giphart gelezen, lol. Daarna heb ik van Joost Zwagerman (die zit ook wel eens bij De Wereld Draait Door) enkele boeken gelezen, die me ook zeer zeker aanspreken. Nu ben ik bezig in een boek van Aukelien Weverling.
Jullie denken nu allemaal, 'care, boeiend, dat schrijven'. Kan ik me voorstellen, zo was ik ook tot enkele maanden gelezen. Toen ben ik pas een beetje gaan inzien dat je heel anders naar boeken kan kijken. Deze paar regeltjes zullen jullie er niet van overtuigen tot lezen, of heftige literaire interesse (het klinkt ook allemaal zo heerlijk zwaar, vind je niet?). Ik zal misschien binnenkort een keer een poging doen jullie tegen beter weten in te overtuigen.
Naast al die oersaaie zaken in mijn leven ben ik even gestopt met poker. Dat heb ik al eerder aangegeven, en ik heb het volgehouden tot nu toe. Niet dat ik trots ben, maar ... juist ja (o, snap je het niet? Dan had je mijn verhalen beter moeten lezen). Ik spreek nu weer wat vrienden uit Zeeland (die ik al een tijd niet had gezien doordat ik natuurlijk in Utrecht woonde. Nu woon ik weer even bij mijn ouders). Heb weer vrij wazige dingen beleefd.
Zo baggerde ik enkele dagen geleden voor het eerst écht dronken in m'n leven, door een weiland. Ik ging naar een vriend die twee huizen naast me woont, om half negen. Daar heb ik een film gekeken. Deal, een pokerfilm. Was wel een aardige film. Onder de film hadden we nogal wat drank genuttigd, waaronder Gold Strike, bier, Boswandelingetje, en nog zooi. En uhm.. tsja, om half 4 's nachts besloten we een wandeling te gaan maken. Toen we halverwege waren (zo'n 3km gelopen toen) hadden we allebei geen zin meer en sneden we af door een weiland. Midden in het weiland lag echter een brede sloot, maar we wilden niet terug, dus sprongen we. Hoewel ik het haalde, kon ik het niet echt een succes noemen dat ik aan de andere kant stond, aangezien mijn schoen in de drek viel. Met een stokje toch mijn schoen gered. Echter, de flap van mijn schoen (heeft dat ding eigenlijk een naam?) bleef in de modder van de sloot liggen. Dus ik ging door op één sok, door het weiland. In mijn andere hand een zwarte schoen, die toen we weggingen wit was. Nou ja, het was wel grappig. Om half zes kwam ik het huis binnen, en ben ik rustig in slaap gevallen terwijl ik om 9 uur de volgende ochtend rijles had. Ship it, imo.
Als jullie vaker updates willen als deze, non-fictie, dan moet je het maar zeggen. Dan wissel ik het een beetje af, verhaal en dit.
Tot de volgende.
Read more: quagmiron
-
Christoph en Damiën
June 03, 2008Even een paar mededelingen. Ik experimenteer een beetje met stijl in deze post. Het is een iets meer vertellende post. Daarnaast is-ie erg kort. Maar ik ben van plan iets recenter met kortere updates te werken. Dus morgen staat er weer een post op.
Eenmaal aan het tafeltje, besloot ik direct dat dit mijn laatste hand was die ik zou spelen. Zouden de jongens leuk vinden, dacht ik toen. Achteraf gezien was het terecht, dat ik dat dacht. Veel zin om te pokeren had ik eigenlijk niet meer, en hoewel de verleiding vooraf groot was, moet ik toegeven dat ik me erg klein voelde toen ik opeens besefte dat ik daar met 400 euro voor me zat te kaarten. Ik voelde mijn tweede persoonlijkheid naar boven komen. Er was Christoph, en er was wat ik zelf noem Damiën.
Damiën was het jongentje dat zich leed in de wereld aantrok. Dat is het kind in mij dat gelooft in zijn medemens, en dat soort dingen. Dat verbaasd is als mensen elkaar pijn doen, en soms in paniekerige onzekerheid verschiet als hij aan de voet van een belangrijke berg staat, waarbij hij het liefst in de schoot van zijn moeder weg zou kruipen. Daarnaast is er gewoon Christoph. Christoph is de arrogante alleskunner die het met iedereen per definitie oneens is. Behalve misschien met de mensen die ook vinden dat alle andere mensen maar ontzettend dom zijn, en eigenlijk zelfs ontzettend kinderachtig gedrag vertonen. Die ben ik tot nu toe nooit tegen het lijf gelopen in mijn leven, behalve Mayra misschien.
De tweede kaart was een ruiten boer. De pathetische onzin over de harten vrouw, daar had ik (Christoph) geen zin meer in. Ik zou me dus niet gaan afvragen wie dan die ruiten boer was, bedacht ik me op dat moment. Ik vroeg me af wie die ruiten boer was (Damiën). Ik plaatste de small blind, en gooide direct mijn hand weg.
“Ik heb er geen zin in,” zei ik.
“Wat krijgen we nou?” vroeg het dikke mannetje. “Spelen jij, en vlug een beetje.”
Ik zag niet echt in waarom ik alsnog zou spelen, al helemaal niet omdat alleen het dikke mannetje bij het tafeltje stond en het dus gewoon één op één zou zijn mocht hij me iets aan willen doen. Ik vroeg hem dus waarom ik in godsnaam niet zou mogen stoppen.
“Waarom je niet zou mogen stoppen?” vroeg hij, wat ik nogal een overbodige vraag vond omdat ik toch echt enkele seconden geleden had gezegd dat dat inderdaad het geval was. “Dat zal je dan wel merken. Ik heb wel vaker iemand met mijn handen bewerkt, dus ik zou maar oppassen, gaan zitten en doorspelen.”Ja, als we gedwongen werden ons in een ring te werpen om een sumoworstelgevecht te houden: dan zou ik misschien vrezen dat je lichtjes de overhand zou hebben. Niet nu. Ik wisselde mijn fiches in voor het geld dat in de koffer lag en wilde weglopen. Terwijl ik opstond vloog het mannetje overeind en greep me bij mijn jas. Ik keek hem recht in zijn ogen aan. Zijn ogen zagen er agressief uit, er spoot werkelijk agressie uit. Erg onder de indruk was ik, nu even Christoph, niet. “Als je godverdomme maar weet, dat ik je nooit meer zal spelen. Nóóit! Hoor je me? Nooit!” Op het einde schreeuwde hij, wat ik een beetje hinderlijk vond. Hij pakte de pokerkoffer, en maakte dat hij weg kwam. Het meisje zat nu alleen aan de tafel. Ik wilde weglopen, maar vlak voor ik aanstalten maakte dat te doen voelde ik een hand op mijn schouder.
“Je moet je niet bedreigd voelen. Trek je niet teveel aan dat hij zo doet. Hij heeft er wel vaker last van.” Het was het meisje.Read more: quagmiron, Pokerstory, Pokerverhaal
-
Queen of hearts
May 28, 2008Aan de optimist het geluk, aan de pessimist het gelijk. Ik geef me in met instabiliteit. Het leven met een liefdesrelatie is mooi, deprimerend, bevredigend en ruzierijk ineen. Het frustrerende aan een relatie is dat het nooit blijft zoals het begon. Dat wist Nietzsche al, net als Plato en Goethe. Alles is in wording, wisten zij. Alles is geworden, en alles wordt. Alles is in beweging. Eén ding zal altijd zo blijven: niets blijft zoals het is. Zo ook nu, hier, met Mayra. Zo ook met relaties. Misschien dat dit alles ietwat pathetisch klinkt, maar ik dacht er echt aan toen ik daar zat, in Hoog Catharijne, met Mayra aan mijn zijde.
Mayra keek me kort aan, en wendde toen haar gezicht ietwat af van het mijne. Ik bleef haar aankijken, en constateerde in haar blik een zekere beduusdheid, bijna een sipheid. Het leek alsof nu pas tot haar doordrong wat ze had gedaan. Dat ze de beloftes van eeuwige liefde aan Diederik niet was nagekomen. Ik weet niet of ze dat daadwerkelijk dacht, maar ik ben pokerspeler, en analyseer mensen tot in den treure. Ik overanalyseer soms zelfs. Ik zie in elk beweginkje en hoor aan elk woordje wat iemand voelt, of denkt. Althans, in de meeste gevallen. Soms zit ik er enigszins naast, geloof ik. Maar dat betreft in die gevallen slechts nuanceverschilletjes. Toen ik laatst in een café een vrouw zag die wel érg veel op de buurvrouw leek, en ik haar iets meer-dan-vriendschappelijke bewegingen zag maken met een man die niet bepaald op de buurman leek, voelde ik mij verplicht de buurman op de hoogte te stellen. Toen bleek dat de buurman wel erg op mijn woord vertrouwde, en hij wekenlang ruzie had gemaakt met zijn vrouw, en het uiteindelijk tóch niet de buurvrouw was die ik die bewuste avond in dat café dacht te hebben gezien, bleek dat zelfs een genie als ik wel eens lichte inschattingsfoutjes kan maken.
Ze stond plotseling op, en ze begon zich in de menigte te mengen. Mayra, tussen al die opgefokte treinpassagiers. Toen ze ongeveer tien meter van me verwijderd was stond ik op. Ik achtervolgde haar, maar ze liep in hoog tempo, en ik had moeite het bij te houden. Ik zag haar voor me lopen, en wilde mensen voorbijsteken maar de massa tegemoetkomers bleek oneindig. Hoe opgefokt men op treinstations ook mag zijn, uitgerekend voor mij liepen twee aandoenlijke dertigers werkelijk waar te drentelen. Ik moest en zou Mayra te pakken krijgen. Over de hoofden van de voorbijgangers keek ik of ik haar nog kon zien. Ja, daar liep ze. De hoogbejaarde dertigers, waarbij enkel het looprek nog ontbrak voordat ze het verzorgingstehuis, wat zeg ik, crematorium in konden, duwde ik op zei maar tijdens dat opzij duwen was ik Mayra even uit het oog verloren. Moedeloos stond ik op de t-splitsing. Eerst keek ik naar links, waar ik tientallen mensen doelgericht zag lopen met een strak gezicht. De rechterzijde leek wel een spiegelbeeld, en wederom geen spoor van Mayra te bekennen.
Ik liep richting de achteruitgang van het station, enigszins bedroefd. Wederom werd ik herinnerd aan die aanhoudende onwetendheid: wát willen vrouwen in godsnaam? Terwijl ik me dat afvroeg, werd ik op mijn schouder geklopt. Toen ik me omdraaide zag ik een dik, brutaal mannetje voor me staan.
“Ik dacht dat jij nog terug zou komen?” vroeg of zei hij. Ik weet eigenlijk niet wat het was. Het mannetje bleef me aankijken.
“Ik zou graag van mijn geld terugwillen. Mister Bigballs!”
Hoewel ik weinig zin had om daadwerkelijk weer met hem mee te gaan en om veel te grote bedragen te pokeren, was de verleiding erg groot. Alle mensen om me heen schreeuwden: “Ja, Christoph, doe het! Maak ze af, verslind ze! Gij genie, doe het, jij kan het. Jij bent de allerbeste!” Ik zag het ze allemaal in slow motion tegen me zeggen. “Joooooaaaahaaaa, dddooooeeeeee hhhheeeetttt!” klonk het, met een zware stem. En ik gaf maar gehoor aan die denkbeeldig aanmoedigende menigte.
“Is goed,” zei ik rustig, zelfverzekerd en een tikkeltje arrogant. Me laten kennen.. Daar doe ik niet aan.Ik liep mee met het dikke mannetje. Door Hoog Catharijne klonk één of ander oppeppend hiphopnummer. Ik voelde me onoverwinnelijk. Zo voel ik me wel vaker, onoverwinnelijk. Mayra was al uit mijn hoofd verdwenen, maar toen ik dat lied hoorde moest ik weer eventjes aan haar denken. Ik besloot het zo te doen: win ik in de komende pokerstrijd, dan pap ik nog één keer met haar aan. Verlies ik, dan verlies ik Mayra en zal het nooit wat worden. Als een boxer met zo’n stoere, lange jas aan, zo voelde ik me. De capuchon half over mijn gezicht, mensen die langs het pad waarover ik loop opgesteld staan. Mijn pad naar de boxring. Op de achtergrond een rapper die geflankeerd wordt door een achtergrondkoor van sopranen en een stoere beat. De mensen schreeuwen agressief naar me, uiteraard aanmoedigend. Let the battle begin.
Ik zette me aan het tafeltje waar we inmiddels aangekomen waren. Alleen het meisje zat daar, en ik zag geen pokerkoffer. De dikke jongen was eveneens gaan zitten. Ed, waar ik de vorige keer tegen speelde, was nergens te bekennen. Het gaf me een beklemmend gevoel. Wat als het gewoon een laffe poging was om me te lokken en ze me willen beroven? Maar ik moet niet melodramatisch of seminichterig worden, denk ik. De dikke jongen ging zitten, en haalde onder de tafel vandaan een koffer. Hij opende de koffer, en behalve pokerfiches zag ik een zakje wiet, en een soort kokers met oranjegrijs spul erin. Ik wist niet wat het was. Ik hoefde het ook niet te weten, en ik was ook niet van plan het te weten te komen. Dat was dus ook weer geregeld.
Het meisje aan de andere kant van de tafel keek me aan alsof ze al het leed van de wereld op zich droeg. Ze zag er onzeker uit, maar erg mooi. Ze had blond, halflang haar, en blauwe ogen. Nou moet ik toegeven dat ik normaal niet op dat soort types val, maar zij is uitzonderlijk in haar klasse. Ze glimlacht niet, maar ik vermoedde dat haar glimlach heel mooi moest zijn. Ze droeg oorbellen die, als ze draaien, veranderen van goud naar zilver. Weet ik veel welke kleur het was, dat doet er ook verder niet toe. Ze droeg een soort legging tot iets boven haar enkels. Daaroverheen droeg ze een grijs jurkje, zonder mouwen.
De eerste hand was inmiddels gedeeld. Ik tilde één kaart op: Queen of hearts. Ik bedacht me wie dat was, de Queen of hearts. Als ik verlies is het Mayra in elk geval niet. Was het Christel? Nee, dat is eerder de witch of spades. Het meisje aan de overkant van het tafeltje? Misschien. Bestaat ze wel, die hartenkoningin? Ik weet het niet.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
Weer dichtbij
May 19, 2008Direct staat ze op.
“Teringzooi,” is het eerste wat ze zegt. Ik begrijp niet waarom ze het zegt. Verbaasd kijk ik haar aan. Ik nog liggend, zij staand.
“Sorry, dit is mijn fout. Ik kan het gewoon niet. Ik verlies me in momenten met jou. Ik weet dat het pathetisch klinkt, maar ik kan dit niet maken tegenover Died.”Ik voel me alsof er zojuist een dolk door mijn hart is geboord. Van climax naar ant-climax. Ik voel me als een voetballer die zojuist de Champions League heeft gewonnen, maar tijdens het vieren van de overwinning een telefoontje krijgt dat zijn ouders een dodelijk auto-ongeluk hebben gehad. Climax, anti-climax. ‘Al wat dichtbij is wordt ver’ is een citaat dat ik me herinner uit één van de eerste filosofiecolleges dit jaar. Ik kan Goethe geen ongelijk geven, op dit moment.
Ze staat op en begint te lopen, langs Neven, door Utrecht. Ik probeer haar te volgen en vraag wat haar opeens doet beslissen zich zo afzijdig te gedragen, niet in die Bloemendaalbewoordingen natuurlijk. “Het ligt niet aan jou,” zegt zij. Ben ik vet mee, denk ik. Ze blijft stug doorlopen, en ik blijf in haar kielzog. We passeren talloze winkels. Voorbijgangers doen er niet toe, die worden roekeloos aan de kant geschoven door Mayra. Ik loop maar achter haar aan, waarom weet ik eigenlijk niet eens. Het gevoel dat alle mensen die we passeren ons verontwaardigd aankijken doet me niets. Het beeldschone schoonheidje der schoonheidjes der schoonheidjes paradeert, nee, snelwandelt inmiddels vlak voor me door Utrecht. Ik banjer mee, door de drukte.
Ik loop naar de woonkamer, met de envelop in mijn handen. Onhandig open ik de envelop (normale mensen kunnen feilloos een envelop openen, keurig langs het randje. Altijd als ik daartoe een poging doe, scheurt de envelop hopeloos naar de binnenkant, maar enfin), en ik zie een wat morsig, wanordelijk, vaal groen opgevouwen papiertje in de envelop. Ik haal het eruit, en vouw het open. Ondertussen luister ik naar de saxofoonmuziek van Boots Randolph, die ik voor deze beslotend privé-onthulling heb opgezet. Een eenpersoonsonthullinkje, zou ik het kunnen noemen. De tonen van de saxofoon die bespeeld wordt klinken diep, langzaam. Het is een alt-sax, denk ik. Niet dat ik er verstand van heb, maar ik vind het wel interessant klinken om zoiets te zeggen.
Ik ontvouw het papiertje totdat het zijn authentieke A4-formaat weer heeft aangenomen. “Hier word je wat wijzer van,” vertelde Jidde me, waar ik toch erg sterk vraagtekens bij moet zetten. Met rode stift, bijna bloedletterig staat er op het papiertje geschreven: “HET LEVEN IS EEN ELASTIEKJE. JE REKT HET UIT TOT HET KNAPT. WAAR JE MEE BEGINT, DAAR EINDIG JE MEE.” Erg onthullend vind ik het niet, en wijzer word ik er ook niet van. Het elastiekje, uitrekken, beginnen waar ik mee eindig; de bomen staan me even in de weg om ook maar enigszins een idee te krijgen van hoe het bos eruit ziet.
De alt-saxofoon klinkt nog steeds, en ik moet zeggen dat, ondanks de tegenvallende inhoud van de envelop, ik wel geniet van dit moment. Het is een exclusiviteit die ik nog niet eerder gevoeld heb. Ik, hier alleen in een huis van een lerares, genietend van de diepe klanken van een mooi stuk sfeermuziek, nadenkend over een vage boodschap op een geheimzinnig papiertje. Als ik eenmaal uitgedacht ben, besef ik dat ik op moet schieten om niet te laat bij mijn middelbare schoolfilosofielesje moet zijn. Ik moet bekennen dat ik daar zin in heb. Filosofielessen worden gegeven door een Turkse leraar die ik rond de 25 jaar schat. De klas bestaat uit twee leerlingen: Christoph en Arjé. Meer dan films kijken en wat slap lullen over nutteloze actualiteiten doen we eigenlijk niet. Aan het einde van elke periode krijgen we een eenzijdig bedrukt A4’tje waar opstaat wat we ongeveer moeten kennen voor het tentamen dat meestal twee dagen na de uitreiking van het A4’tje gepland staat, en haal je je papiertje voor filosofie, hoop je tenminste. Ik loop naar de gang, en doe mijn jas aan. Ik loop naar beneden en pak mijn fiets, rijd weg naar school en onderweg denk ik nog even na. Dat elastiekje, dat begin, het eind.
We komen nu aan bij het busstation, en Mayra loopt nog altijd stug door. Ze gaat met de roltrap omhoog, naar Hoog Catharijne. Ik heb moeite haar bij te benen. Eenmaal boven loopt ze naar een perron, helemaal achterin. Ze loopt niet; ze rent. Ik kan haar eindelijk inhalen en stil laten staan. In de stad was ze ver van me verwijderd, maar ze staat weer vlak voor me, dus in letterlijke zin had Goethe ongelijk, maar dit is ongetwijfeld een misinterpretatie van zijn bijzonder doordachte citaat. Door de stationshal galmt, achteraf gezien ironisch genoeg, het nummer Relax, van Mika. Hijgend sta ik tegenover Mayra.
“Goed nummer, hè?” zeg ik quasi-grappig, achteraf gezien misschien een beetje misplaatst. Mayra kan het niet echt waarderen, geloof ik.
“Wat is er nou? Waarom volg je me? Sorry, maar ik moet weg, ik moet dit even verwerken!”
Stilte.
Ze kijkt me indringend aan, met een blik alsof ze elk moment naar het perron kan lopen, tenzij ik nog iets te zeggen heb. Ik sta plat gezegd met mijn bek vol tanden, en netjes gezegd met mijn mond vol tanden. Maar zoals het een impulsieve genie betaamt, schiet me net op tijd iets te binnen.
“Je hoeft geen sorry te zeggen. Je zal ongetwijfeld je redenen hebben voor je gedrag nu. Maar ik denk dat de reden niet is dat je zoveel van Diederik houdt. Je wekt bij mij eerder de indruk dat je vindt dat je van hem moet houden. Het is voor mij een beetje het verhaal ‘denken wat je vindt dat je moet denken’. Snap je?”
Het was een poging waard. Mayra kijkt me opeens wat aandoenlijker aan. Ik hoop dat mijn woorden doordringen. Ze knippert een paar keer met haar mooie ogen.
“Nee, ik snap het niet.” Een schoolvoorbeeldje vervlogen hoop, zou ik het noemen. “Maar vooruit, kom mee. Dan kan je het uitleggen,” vervolgt ze direct daarop. Mayra loopt voorop, en zoals al heel de dag loop ik haar maar weer achterna, benieuwd wat me nu weer te wachten staat. Het is inmiddels half twee geweest, zie ik onder het lopen. Bij de Vroom & Dreesman stopt ze haar full time demarrage. Ze loopt naar binnen en we klimmen tot de hoogste etage. Ik volg haar een ruimte binnen die aandoet als een grand café. Alle tafeltjes bij het raam zijn bezet. Jammer, vindt Mayra, vind ik, vinden wij. Denken en spreken in de wij-vorm is iets wat ik op dit moment nauwelijks in praktijk durf te brengen. Ik ga zitten, en ik weet dat dit het begin is van een nog uit te spreken pathetische, melancholische preek waarna Mayra er nog niets van snapt, en alsnog naar huis gaat. Ik probeer een geniale spontaniteit te ontdekken in mijn denkstelsel, maar het komt niet. Verrassend moet het zijn. Wat kan ik zeggen? Hoe ga ik uitleggen wat ik net maar wat stond te wawwelen?
“Ik vind het erger als ik net het laatste beetje cola van de fles moet drinken, omdat dan de prik eraf is, dan dat mensen in Afrika elkaar de messen in het lijf steken. Daar schaam ik mij niet voor,” begin ik, hopend dat ze de link met de hele situatie nog niet legt en daardoor des te geconcentreerder naar me luistert om de koppeling met de huidige situatie te ontdekken.
“Dat beetje cola, dat zijn wij. Afrika is Diederik. Ik heb erg sterk het idee dat je leunt op de duurzaamheid van jullie relatie. Jij vindt dat ómdat jullie al zolang samen zijn, het zonde zou zijn dat nu overboord te gooien en opnieuw te beginnen met iemand anders. Als je logisch nadenkt zou het niet zo moeten zijn. Het zou zo moeten zijn dat jij onder die boom met hem lag, niet met mij. Als je daar wél met mij ligt, is dat maar weer eens een bewijs aan het gebrek aan monogamie dat de mens heeft. Vreemdgaan zit in de aard van het beestje. Na twee of drie jaar is dat vlindertje in je buik ook wel eens uitgehongerd, en dan kruipt de volgende rups alweer uit zijn cocon.” Amen. Het begon eigenlijk best nog wel ergens naar te klinken, vond ik zelf. Sterker nog, dit is een heuse literaire monoloog, die ik hier aan een tafeltje in de V&D zit te houden. Een redevoering. Vergeleken met mijn betoog alhier, was Hitler niet meer dan een stotterende en hakkelende Jan-Peter Balkenende die na een zoveelste mediatraining commentaar probeert te geven na een aanslag op Schiphol.Mayra lijkt onder de indruk. Ze is weer iets meer bij haar positieven, dan haar zojuist plotselinge emotie-explosie. Ze zegt dat ze het allemaal even niet weet, waarna ze zich duizendmaal excuseert (Echt, sorry! Het is oke, het geeft niet. Echt sorry. Geeft niet. Sorry. Is oke, Echt sorry. Geeft écht niet). Het gaf natuurlijk wel, maar ik neem de begrijpende vriendrol op me. Daarnaast begreep ik het ook eigenlijk wel, een beetje dan. Of nou ja, een heel klein beetje. Of nou ja, een heel, heel, heel, heel klein beetje. Of nou ja, eigenlijk niet.
Ik herken de verlammende werking die een relatie lijkt te hebben op mensen. Ik was ook verlamd, in een tijdperk dat tegenwoordig door het leven gaat als De Teloorgang van het Vertrouwen, mede mogelijk gemaakt door Christel Lenton. Maar over de periode met Christel vertel ik later nog wel eens.
Aangekomen bij school weet ik dat Christel ook les zou moeten geven, of net gegeven heeft. Haar fiets, staat die er? Jawel, ze is er nog. Ik loop naar binnen, en de bel gaat juist op het moment dat ik binnenstap. Ik loop direct naar het lokaal, waar Arjé al staat te wachten. Arjé is een boomlange, contactgestoorde, langharige Slip Knotfan, maar daarom zeker niet onaardig. Sterker nog, Arjé is één van de weinigen waarmee ik het wel vrij goed kan vinden. Ik loop naar binnen, en zoals Arjé eigen begroet hij me met een sprongetje in de lucht waarbij hij zijn benen tegen elkaar schopt, gevolgd door de kreet ‘Wadap doaa?!’. Beetje jammer, vind ik dat dan weer. Maar enfin, er bestaat een meer dan gradueel verschil tussen ‘niet onaardige Slip Knotfans’, en literair aangelegde pokergeniën, dat moet ik onderkennen. Zoals gebruikelijk moeten we wachten op Tasvöl, de Turkse leraar filosofie, die naar gewoonte minstens vijf minuten, en maximaal een lesuur te laat is. Ondertussen basketbal ik wat met Arjé. Ons brood verdwijnt in de pre-filosofielesuren vaak ik de ronde prullenbakken. Leuk, vinden we dat, denk ik. Of niet, kan ook. Dat doet er verder ook niet echt toe, wat we vinden van basketballen met brood in ronde prullenbakken.
Tassie, zoals we onze knuffelturk liefkozend noemen, maakt het niet al te bont. We klokken 14 minuten en 52 seconden. Snel gooit hij zijn tas onder het lerarenbureautje in het lokaal, en begint hij met de les. Zoals gebruikelijk begint hij wildgebarend en snel te praten. Gepassioneerd, vol enthousiasme. “We gaan het hebben over filosofie, vandaag. Ik weet dat jullie geen pen en papier bij hebben voor deze les omdat dat normaal niet nodig is, maar luister op z’n minst. Het wordt interessant. Niet interessant zoals jullie dat bij economie of wiskunde beloofd wordt. Echt interessant. We gaan analyseren wie wat doet en waarom, in een groep.”
“Ik weet het echt niet,” begint Mayra haar antwoord. De mensen van het tafeltje bij het raam gaan weg. Mayra en ik verruilen ons territorium voor het plekje bij het raam. Het zou de natte droom zijn van een regisseur. Twee jonge mensen tegenover elkaar aan een klein vierkant tafeltje, met als achtergrond het stadsaanzicht van Utrecht, de Dom prijkend in de skyline van Utrecht, die verder louter bestaat uit geveltjes van oude panden. Mayra zakt wat achterover, en haar benen liggen nu onder mijn stoel. Ze raakt mijn voeten. Omdat we bij de V&D zitten, moet de regisseur er zelf maar een mooi sfeermuziekje onder zetten. Mayra en ik moeten dat er maar bij fantaseren. We zitten eerst een tijdje zonder iets tegen elkaar te zeggen. We kijken allebei naar buiten, om maar ergens naar te kijken. Maar ondertussen houden we elkaar in onze ooghoeken scherp in de gaten. Als ik af en toe denk een momentje van onachtzaamheid te ontdekken bij haar, kijk ik naar haar lieve gezichtje. De verkleinvorm past goed bij haar. Zonder te weten waarom, moet ik lachen. Bij ieder ander zou het lomp aandoen om midden in een stilte een schaterlach uit je mond te laten gaan, maar niet bij Mayra. Ze lacht ook, en knijpt daarbij haar ogen tot kleine spleetjes. Lief, vind ik die ogen.
“Jij bent hoe je heet,” zeg ik uit het niets. Mayra kijkt me vragend aan, en ik vraag haar of ze weet wat haar naam betekent.
“Beeldschoon”, zeg ik nadat ze nee schudde. Ze snapt me en lacht weer lief. Ik noem haar pesterig een Mayra-Chineesje. Haar voeten zoeken mijn voeten en ik klem nu haar benen tussen de mijne. Ze leunt voorover op haar handen. We zijn geëvolueerd tot enkel nog schaduwen, als de regisseur weer even aan het woord is. Van een afstandje ziet hij links een meisjesschaduw, met haar hoofd voorovergebogen leunend op haar armen. Aan de rechterkant een jongensaanblik, in dezelfde houding als het meisje. Op momenten als deze, dat ik dicht met mijn gezicht bij het gezicht van een meisje ben, schiet altijd door mijn hoofd wat ik kan doen of zeggen. Uiteraard is er altijd de broeierige zoenmogelijkheid die in mijn achterhoofd speelt en soms brutaal op de voorgrond treedt. Ook nu kijk ik een beetje onwetend naar Mayra. Als ik mijn hele leven zo zou blijven zitten, zou ik best met genoegen terug kunnen kijken op mijn leven, geef ik toe. Op het feit dat ik niet mijn literaire aspiraties waar kan maken na dan, maar dat zou ik voor Mayra misschien wel voor lief nemen. Het voelt alsof dit het perfecte misantropiemomentje is.
Ik doe een poging misantropie en een compliment te koppelen in één zin. Ik zou iemand die dit zou zeggen een slijmerige hufter vinden, maar toch zei ik het. “Ik haat alle mensen hier in de V&D, en ook iedereen daarbuiten, behalve jou.” Hier had ik gehoopt een soort rewind-knop te hebben, om die opmerking ongedaan te maken, al vond ik het wel een vondst, dat moet ik toegeven. Ik vond het een vondst om mijn mensenhaat te associëren met een compliment aan haar.De blik die volgde na mijn opmerking was er één, die in mijn slechte geheugen gegrift staat. Iets dat in mijn geheugen gegrift staat, moet wel van erg grote klasse zijn. Dat zegt iets over zowel datgene dat ik moet onthouden, als ook over mijn geheugen. Haar ogen knipperden na mijn opmerking, en haar lippen bleven stijf op elkaar, maar werden wel ietwat verbreed. Haar ogen straalden, en op het moment dat de schaduwen in een film naar elkaar toe zouden moeten gaan, luidden de reeds legendarische woorden: “Ik heb honger.”
Op dat moment was ik zo in de wolken, dat ik al haar verzoeken consequent en per direct wilde invoeren. Honger? Dan gaan we wat eten. En nog geen twee minuten nadat ze blijk had gegeven van haar te lege maag, stonden we in de rij bij snackbar Geniet-met-en-zonder-mate(n), geen erg commerciële naam, vond (vind) ik. In de rij kregen we nog een lange discussie (het was druk). Wilde ik een bakje, of een puntzak friet? En zij? Maar als we nou allebei iets anders wilden, hoe moest dat dan? Dat was niet echt eensgezind, toch? Het werd een beetje een running gag, naarmate we de grap vaker gingen herhalen. Het was niet eens een grap, maar toch was het grappig. Hangerig en loom stonden we tegen elkaar aan, heftig in discussie waarom we wel of geen bakje of puntzak moesten nemen, en wie er zou bestellen. Het was een erg intellectuele bedoeling, zo in de rij van de snackbar. Uiteindelijk kregen we ons eten, werkten we het in no time naar binnen, en besloten we alvast richting stationshal te lopen.
We settelden ons op een bankje, en ik ging steeds iets dichter bij haar zitten, legde mijn hoofd op haar schouder, en lag me in te houden haar te zoenen, zo mooi zat ze op dat bankje. Op de schouder van mijn droommeisje der droommeisjes der droommeisjes lig ik in Hoog Catharijne, niet wetend wat ik moet zeggen of doen. Ik kijk naar haar, zij niet naar mij. Zij kijkt recht de stationshal in. Hoe ze kijkt, weet ik niet eens. Lief is een te simplistische, maar toch treffende omschrijving. Ik herhaal mezelf als ik zeg dat ik niet weet wat vrouwen willen, en pleeg daarmee ook plagiaat ten opzichte van Freud, maar toch zeg ik het, en – vooral – voel ik het, hier en nu.
Ik voel sterk de neiging haar bruut vast te pakken en haar gewoon te zoenen, of ze nou wil of niet. Ik kijk haar aan, en ze frutselt wat in haar tas. Ze pakt haar telefoon. Ze toets snel een nummer in, maar ik zou niet weten van wie, en waarom. Ik haal mijn hoofd van haar schouder af, en ik hoor de telefoon overgaan. Eén keer. Twee keer. Mayra kijkt niet naar me, maar ze geeft me het gevoel dat ze ogen in haar achterhoofd heeft, want ik voel me erg bekeken door haar.
Terwijl in de stationshal alle ongeschoolde, gemaskerde, quasi-intellectuele en vooral lelijke mensen zich voortbewegen hoor ik een jongensstem opnemen. Mayra loopt weg, en ik kijk haar na. Ze laat haar tas staan, wat voor mij zekerheid biedt dat ze niet naar de trein zal snellen. Ze loopt ver weg, zeker dertig meter. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor ze weg is, en op de stationsklokken zie ik langzaam de secondewijzer voortgaan. Minuutje na minuutje gaat voorbij, en ik ben ongeduldig. Waarom belt ze opeens, en waarom zolang? Het kan geen doodsboodschap zijn van haar ouders, of zoiets. Dan had zij zelf niet gebeld. Nadat ik elf minuten heb geklokt voel ik plotseling twee handen aan mijn hoofd. Vrij abrupt draaien de handen mijn hoofd om, en zoenen zachte lippen mijn lippen. Ik weet niet wat me overkomt, maar ik weet, ik próéf dat dit Mayra is. Als mijn smaak me nu in de steek had gelaten, bestond de mogelijkheid dat ik nu een verdwaalde nicht stond te tongen, maar ik sloot alle opties uit, behalve Mayra. De zoen is het genot zelve. Een definitie van genot doet alleszins tekort aan dit gevoel. Optimale voldoening is een understatement voor dit gevoel. Tot ik opeens een baard voel, en opkijk. Een oude zwerver is wat ik… Nee, zo ging het niet. Na het onaardse gevoel, verwijdert een gezicht dat wel erg veel op Mayra’s gezicht lijkt zich ietsje van het mijne.
“Ik heb Died net gebeld. Ik heb het uitgemaakt.”Hoe mooi het ook gesproken mag zijn, ik moet nu toch echt een correctie maken in de geschiedenis van de wereldfilosofie. Ze was ontzettend dichtbij. Ze verwijderde zich van me, waarna ze zich onbeschrijfelijk bij me voegde. Een historische dag, waarmee Goethe’s citaat ontkracht is. Wat dichtbij was, bleef dichtbij. Het leven was een elastiekje, dat bijna knakte, maar niet helemaal. Waarmee ik begon, daar eindigde ik mee. Dichtbij. Dichtbij.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
Een miniboulevardje
May 14, 2008Sigmund Freud schreef ooit: “Dertig jaar heb ik me beziggehouden met de psychologie van de vrouw, maar er is één vraag waarop ik nog geen antwoord heb gevonden: ‘Wat willen ze eigenlijk?’”.
“Echt?” vraagt Mayra me.
“Ja.”
Stilte.
“Gewoon als vrienden, hè? Ik bedoel, ik heb Diederik nog. Het duurt al twee jaar, dat ga ik niet zomaar weggooien, wat er ook gebeurd is tussen ons.”
He, wat naar… Denk ik, dacht ik, wou ik dat ik dacht, dacht ik niet. Het was meer iets als: dan had die verdomde rotmof van een Sigmund Freud tóch gelijk, of was het geen mof? Wat doet het er ook toe? Als vríenden?! Wat, als vríenden? Hoor ik het nou goed? Zeg je nou dat je heel netjes ‘als vrienden’ op vakantie wilt? Niet ’s avonds romantisch op een Italiaans strandje in één of ander pittoresk Italiaans dorpje, op het randje van de boulevard kijken naar de zonsondergang, terwijl de camera langzaam uitzoomt, en wij onze hoofden die in beeld alleen nog schaduwen zijn naar elkaar toebrengen. Dat onze schaduwen elkaar zoenen. Dat we daarna vrijen in een hotelkamer, of appartement, of in een tent, waar we dan ook mogen slapen, en de volgende ochtend in elkaars armen wakker worden?
“Tuurlijk, dat begrijp ik. Dat is logisch,” zeg ik.Mayra vertelt me over één of ander feest van de faculteit geesteswetenschappen. Dat het daar Zo Ontzettend Gezellig was. Zulke opmerkingen vind ik altijd een soort mythische ondertoon hebben. Het is altijd gezelliger als ík ergens niet bij ben, dan als ik ergens wél bij ben. Volgens mij is de wereld één grote samenzwering. Volgens mij heeft de wereldbevolking besloten de mythe ‘ontzettend gezellig’ op touw te zetten, en bedachten ze als grap dat ze het, als één iemand even naar de WC was, juist aan die persoon níet te vertellen. Ik voelde al die ogen van de wereldbevolking in mijn rug prikken toen ik laatst in Neven naar het toilet liep. Ik was de ongelukkige. En ik merkte het ook, toen ik terugliep. Ik zag iedereen kijken, alsof mijn lul nog uit mijn broek hing, zo’n aanblik. Ik heb ze nu dan allemaal door. Gezelligheid, het kan me gestolen worden. Nooit meer een Ontzettend Gezellig feestje voor mij.
Ik lees wat er op het briefje staat. ‘He, ik moest het eerste uur lesgeven, dus ik ben al op school. Ik zie je zo wel. We moeten trouwens nog wel even praten. Christel.’ We moeten nog wel even praten. Wat een verschrikkelijk sadistische opmerking vind ik dat. Geen vrouw zo makkelijk, of ze moet ‘even praten’. Zelfs kinderachtig, vind ik het.
Een jongen alleen in een meisjeshuis laten (of andersom) is uitermate onverantwoord als je gesteld bent op je privacy. Ik ben nou eenmaal een jongen, Christel is, zo weet ik nu zeker, een meisje. Ik ben alleen in Christels huis. Dus ik voldoe aan mijn plicht en ga op zoek naar aanstootgevend materiaal. Kom maar op. Op naar de geheime liefdes die Christel wenste mee haar graf in te nemen, hetgeen ik nu even jammerlijk kom verstoren. Ik loop naar boven, en doorzoek de kasten. Weinig bijzonders, behalve wat foto’s van toen ze heel klein was, waarvan ik zal moeten zeggen dat ze ‘zo leuk zijn’ als Christel ooit besluit ze te laten zien. Wat een lelijk mormel was ze vroeger zeg. Dat uit zo’n gedrocht zo iets moois heeft voort kunnen vloeien, of zou zij het niet zijn? Op de achterkant staat: Christel, Papa, Mama. Wel dus.
Als ik uitgezocht ben, en weinig anders dan nóg lelijkere foto’s en foto’s met exen heb gevonden zie ik haar telefoon liggen. Kan ook leuk zijn. Na haar inbox te hebben geïnspecteerd vind ik eveneens niets boeiends, behalve dan een sms’je van ene Theo, die vraagt wanneer hij weer naar haar toe kan komen om te zoenen, en, hij sms’te het letterlijk, ‘op allerlei plekjes te voelen’. Rewind. ‘om te zoenen’, ‘plekjes te voelen’. Toch iets interessants gevonden, maar niet helemaal wat ik gehoopt had. Ik besluit genoeg gezocht te hebben, en herinner me opeens de envelop die Jidde me gaf. Ik loop naar beneden, zoek mijn jas, en haal de envelop uit mijn binnenzak.
Mayra kijkt me lief aan, niet bepaald als ‘gewone vriendin’, maar kennelijk wel met die intentie. Na nog een paar minuten in Neven te hebben doorgebracht staan we op en verlaten we het café. Mayra en ik zijn de nutteloosheid zelve, terwijl we tegelijkertijd de intellectualiteit zelve kunnen zijn. Wij kunnen onverstoord praten over cognitieve dissonantie, over wie de confessionele psychotherapeutici waren, en wie dan de religieuze tegenhangers daarvan waren, dat soort dingen. Ons lievelingsonderwerp is het verrotte van de mensen. In de bus een bekende tegenkomen en hopen dat hij je niet ziet omdat je op de vroege ochtend geen zin hebt in een lamlendig burgerkaboutertjesclichégespre k. Hoe het dan met je is, en wat je dan nu ‘doet’, en hoe het daarmee ‘gaat’, dat soort vragen, die dan weer ten koste gaan van het extra uurtje slaap dat je altijd plant voor in de bus. Daar hebben we het ook over, al is dat misschien weer iets minder intellectueel.
We lopen door de stad en ik volg Mayra maar. We zeggen niks. Dat creëert een min of meer euforische sfeer. Zij naast mij, aan mijn zijde. Ik aan haar zijde. Wij tegen de rest, wij tegen de wereld. Kom maar op, gezellige wereldbevolking. We komen aan bij een groot grasveld, waar we langs lopen. Bij een redelijke plas water waar aan één zijde huizen gebouwd staan, en aan de andere kant omgeven wordt door een open grasvlakte, stopt Mayra. Ze wijst naar een enorme boom, en ze trekt me aan mijn hand mee naar de boom. Ze sleurt me zo enorm mee dat ik uiteindelijk struikel en over het gras rol. Ik rol met een brede lach op mijn gezicht. Ik houd haar arm vast, en ze valt. Ze rolt nu lachend mee. We gieren. We rollen gierend over een grasveld ergens in Utrecht. Ik eindig op mijn rug, en zij hangt met haar hoofd boven me. Ik kijk haar aan. ‘Gewoon als vrienden, hè? Ik heb Diederik natuurlijk nog. Sorry’. Ze kijkt in mijn ogen. Het duurde ongetwijfeld niet lang, maar het leek uren te duren, zoals ze boven me hing. Met haar lieve ogen kijkt ze naar me, bijna door me heen, zo zwoel. Ze buigt voorover, ik zie haar op me af komen. Mijn Mayra, lieve verbitterde Mayra. De camera zoomt uit, we zijn enkel nog schaduwen onder een boom. Onze schaduwen zoenen elkaar, ergens aan een miniboulevard in Utrecht.
“Er is één vraag waarop ik nog geen antwoord heb gevonden: ‘Wat willen ze eigenlijk?’” Ik weet het niet.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
Bijna te mooi
May 11, 2008We kijken elkaar even aan. Ik geniet van haar lach, en de glinsterende ogen die bij die lach passen. Het voelt goed, om Mayra weer te zien. Door Neven klinkt Spaanse gitaar, Antonio Banderas, als ik het goed hoor. Het geeft een aparte sfeer. De mens is geneigd te zeggen: ‘dat is een diepe gedachte’, wanneer hij zelf wel eens iets dergelijks heeft gedacht, dat beweerde hoogleraar Chinese letterkunde Jan (en nog wat tweede en derde moeilijke namen) Duyvendak.
“Misschien dat ik je zomaar voor niks heb laten komen, of dat je geen idee hebt wat je te wachten staat,” zegt Mayra tegen me. “Dat snap ik, maar ik zal het straks allemaal uitleggen.” Een diepe gedachte, vind ik.Christel kijkt me aan, en ze wenkt met haar ogen: kom dan! Kom dan! Kom bij me in bed liggen en we maken er een nacht van als nooit tevoren! Kom! Dus ik kom, in de hoop dat ik later die nacht nog een keer ‘kom’. Niet dat Christel iets zei, het was gewoon de broeierige, semi-erotische spanning die er hing. Ik kleed me uit in Christels slaapkamer, en ik voel dat ik geobserveerd word. Christel beloert me. Als ik alleen mijn boxershort nog aan heb, klim ik in bed. Dat doe ik kennelijk te abrupt, want spontaan na mijn entree liggen zowel Christel als ik met ons hoofd zeker een halve meter hoger dan onze benen. Het bed stort in aan één zijde. Ik zeg duizendmaal sorry, terwijl ik eigenlijk vind dat ik er niks aan kan doen, want een bed is tenslotte gemaakt om in te slapen, om mensengewicht aan te kunnen. Ook als je na een sprong in de lucht van twee meter hoogte op het bed ploft.
We stappen het bed uit, Christel frutselt wat aan het bed, en we kunnen weer liggen. Dit keer spring ik geen twee meter hoog, maar slechts één meter. Het bed blijft heel. We praten over hoe kut de wereld is. Over hoe nep mensen zijn. We praten, maar tijdens het praten voel ik opeens een hand die of van mij, of van Christel is, en hij is niet van mij. Die hand hoort niet op de plek waar die nu zit. We praten verder. Met een stoïcijnse blik praat ook Christel verder terwijl ik inmiddels naakt in bed lig, en Christel begint haar hand op en neer te bewegen, terwijl ze gewoon doorpraat. Ik zie het topje van de ijsberg, het brave topje. Maar van een ijsberg ligt gemiddeld 90 procent onder water, het stoute dal. Dit bleek uiteindelijk een metafoor voor de toekomst. Een braaf topje, een stout dalletje. Opeens stopt ze met praten en richt ze zich op.
Mayra en ik twijfelen wat we bestellen. “Heb je honger?” vraagt ze. Ik zeg dat ik een beetje honger heb en vraag of zij honger heeft. Ze heeft ook een beetje honger. “Zullen we samen één iets nemen, dan?” vraagt ze. Ik stem toe. Het mooie aan Mayra en mij is dat wij nu niet verwikkeld raken in een ‘kies jij maar-nee, kies jij maar-nee, kies jij maar-ja, maakt mij niet uit, kies jij maar’-situatie.
“Oke, wat zullen we nemen?”, vraagt Mayra. “Een warme wafel, pizza, een pannenkoek of lasagne?”
“Maakt mij niet uit,” antwoord ik. “Als het maar geen pizza, pannenkoek of lasagne is.”Tijdens het eten van onze gezamenlijke wafel, prietpraten we nog wat (voor ons doen even op een gemiddeld niveau) over een citaat als ‘De scherpste geesten hebben ook hun botte kanten’. Prachtig citaat, vinden we allebei. Alleen een beetje jammer dat de auteur ervan Piet van Aken heet. Dat is dan net weer zo’n anti-climax. Als het nou Pierluigi De Campastrodiosa was, oké. Maar Piet van Aken.. dan val ik af.
“Maar goed, even genoeg citaten en overige genialiteit”, zegt Mayra me. Ze kijkt me aan met haar glinsterende ogen. Ze lacht. Als ze lacht knijpen haar ogen altijd een beetje dicht. Lief, vind ik dat. “Ik heb je naar hier laten komen, voor jouw doen waarschijnlijk ook nog eens heel vroeg. Ik wil je namelijk iets vertellen, en iets vragen. Het is misschien een beetje abrupt omdat we elkaar al een tijdje niet gezien hebben, maar ik ben benieuwd of je ermee instemt,” vervolgt ze. Ik ben benieuwd wat ze me nou zo nodig wil vertellen, en waarom ze me dan daarnaast nog eens iets moet vragen. Ze haalt diep adem, en precies als ze wil beginnen komt er een kutkotertje van hooguit zes jaar aan ons tafeltje rammelen. De ouders lachen naar ons, en wij kijken stoïcijns terug: we vinden het mannetje irritant.
Christel kijkt me recht aan. Ze heeft donkere ogen. Ze ziet er een klein beetje halfbloed uit, maar ze is het eigenlijk niet. Haar gezicht komt steeds dichter bij mijn gezicht, en terwijl ze inmiddels onder de dekens fanatiek haar armspieren beoefent, zoent ze me vurig. Indonesisch, zuiders. Als we uitgezoend zijn (voor de eerste keer dan), kijkt ze me aan en vraagt: “ga ik te ver?”. Achteraf gezien had ik liever ja gezegd, in de wetenschap wat er later allemaal gebeurde met Christel en mij. Maar ik zei uiteraard nee. Ook haar eigen kleren deed ze nu snel uit. Daarna zoende ze me weer, gooide de dekens van me af. Opeens werd zichtbaar waar ze mee bezig was, wat een hoer het eigenlijk was. Maar ik vind het niet erg en laat het toe. Ook de dekens die van mij af vielen, en daarmee de openbaring dat Christel vrij hoererend bezig was, is weer een metafoor voor de toekomst. Ze gaat op me zitten, en dat maakt ons één. Op dat moment bedenk ik dat ik een boek ga schrijven, ooit. Morgen heb ik het derde uur filosofie. Ik bedenk de titel: ‘Met spierpijn naar filosofie’.
Nadat ik een voltallig boek heb geconcipieerd in mijn hoofd, terwijl mijn lerares me berijdt, besef ik me dat dit een unieke ervaring is. Ontmaagd door een lerares, niet iets wat je dagelijks meemaakt. Het voelt goed. Christel begint moeilijk te kijken, ik ook.
Het irritante mannetje is weggelopen van de tafel. “Oke, eindelijk weg,” zeg ik, zegt Mayra, denk ik, denkt Mayra. “Volgende week is het vakantie, he?” deelt ze me mee, of vraagt ze me. Ik knik maar. “Ik zou op vakantie gaan met Gladis. Die ken je denk ik niet. Ze studeert psychologie, ook in Utrecht,” Ik ken haar inderdaad niet. “Ze heeft alles al geregeld en als ik niks doe, ga ik dus volgende week naar Italië met haar. Maar eigenlijk wil ik niet meer. Ik heb er spijt van dat ik het haar heb toegezegd.” Ik luister aandachtig, en zeg dat ze dan niet moet gaan. “Ik bedoel, je gaat toch niet veel geld uitgeven aan een reis die je niet wilt maken? Het is of lullig voor Gladis, of lullig voor jou. Het is aan jou welke keuze je maakt. Hoe dan ook, je maakt een egoïstische keuze. Blijf je hier, dan ben je egoïstisch tegenover Gladis. Ga je wél, dan toon je opofferingsgezindheid tegenover Gladis, wat jou weer een gevoel geeft dat je een goede daad gedaan hebt, en dus is het uiteindelijk weer eigenbelang, net als dat je je eigenbelang schendt als je níet gaat. Want dan is het lullig voor Gladis, en breekt je ego een beetje.”
“Ik snap wel dat mensen jou soms niet kunnen volgen,” antwoordt Mayra. “Maar ik snap wat je bedoelt, denk ik. Eigenlijk heb je nog gelijk ook. En tot die conclusie was ik, weliswaar door een iets andere beredenering, ook gekomen, dat ik niet wil gaan dus. En daarom heb ik je hier naartoe gevraagd. Ik wil met jou naar Italië, Christoph.”Christel gilt ongeveer, ik blijf vrij stil en ondanks de euforie vind ik Christel nogal overdreven klaarkomen. Dat zeg ik natuurlijk niet. Haar climax duurt aanzienlijk langer dan die van mij. Beetje oneerlijk dat iets dat uit de rib van een man gemaakt is, zoveel meer genot toebedeeld heeft gekregen, als je de Christenen moet geloven dan, waar ik weer sterk mijn twijfels over heb. Maar enfin, dit is niet het moment om over Christenen na te denken, denk ik. Nadat ze na een half uur is uitgepuft en gekrijst, valt ze halfdood op me neer, en ze knuffelt me nog een beetje, geforceerd meer. Ze kruipt van me af, loopt naar beneden, en komt weer terug met kleren aan. Het gaat allemaal snel vanaf hier. Ik doe mijn boxershort aan, en kruip onder de dekens.
Enigszins euforisch, maar toch ook met een soort negatief onderbuikgevoel ga ik slapen. Ik slaap vrij snel, omdat het kennelijk al vrij laat was. De volgende ochtend word ik later wakker, op tijd om naar filosofie te gaan. Ik kijk naast me, en verwacht een slapend Christeltje te zien. Maar de dekens liggen iets te ver verwijderd van het kussen, precies zoals het ligt als iemand uit bed is gekropen. Het is een beetje een verloren gezicht, zoals het erbij ligt. Het voelt pijnlijk, verlaten. Als ik naar beneden loop, en in de woonkamer ga zitten, zie ik op tafel een briefje liggen.
“Met mij naar Italië?” vraag ik, en het moet er een beetje knullig uitgezien hebben. Het voelt wel als een soort wondertje. Inmiddels klinkt het perfecte lied voor deze situatie. ‘I don’t wanna miss a thing’ van Aerosmith. Het is bijna filmachtig, zo mooi zitten Mayra en ik tegenover elkaar. De muziek op de achtergrond. De camera zoomt in op mijn gezicht. Mijn gezicht staat op stoïcijns, lichtjes knijpend met mijn ogen. Het is een beetje het gezicht dat acteurs in een film vaak hebben als de gezichten naar elkaar toegaan als ze elkaar bijna willen zoenen. Mayra tovert op miraculeuze wijze weer een perfect passende glimlach op haar gezicht, uiteraard met haar fijngeknepen oogjes. Aerosmith schreeuwt dat hij geen ding wil missen. “Ik wil ook met jou naar Italië,” zeg ik.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
Verzoening
May 07, 2008De bus naar Overvecht komt aanrijden. Ik stap in. Een kale man met zonnebril op (ik snap niet waarom hij die op heeft. Ik bedoel, ’s avonds een zonnebril op?). Hij kijkt over zijn brilglazen heen en vraagt: ‘Waar mò je n’toe?’, geheel volgens de wetten van het ABN. Ik zeg waar ik naartoe moet, krijg een kaartje waar ik zeker de helft teveel voor betaal omdat ik te lui ben om een strippenkaart te halen, en loop richting een vrije stoel. Even twijfel ik nog. Zal ik naast die Marokkaanse vrouw gaan zitten, of naast die oude, proestende vent van 192 kilo (nee, gewicht doet ’t ‘m, die wordt het niet), ik loop naar de ene stoel, maar ga toch snel naast de Marokkaanse vrouw zitten. Ondertussen vraag ik me af wat Mayra me te vertellen heeft.
Terug op mijn kamer voel ik mijn maag schreeuwen: ‘Eten, eten, alsjeblieft, eten!’. Ik twijfel. Het is een vrij magisch gevoel dat in me opkomt. Ik weet niet zeker of ik het wel goed voel, maar volgens mij roept mijn kookbrein tegen mijn hoofd dat ik moet koken. Niet magnetronnen. Écht koken. Zo van, echte pannen, en zo van dat je ook echt meerdere gaspitten gebruikt, en ingrediënten toevoegt, écht koken dus. Eenmaal besloten dat ik ga koken, zoek ik naar ingrediënten. Mijn boodschappenlade: bullit, knakworst, AH opwarmmaaltijden (dat is een alternatief, dan lijkt het net of ik gekookt heb), koekjes en chocola. Tenzij ik zin heb in lekkere chocoladeknakworstballetjes, waarbij ik eerst chocola en knakworst verwerk tot een egale massa, die vervolgens in een kom doe en een paar lente-koekjes toevoeg, een beetje AH spinazie-poeder erbij flikker, dat vervolgens gedurende 20 minuten in de keukenmachine doe, het eruit laat rollen en naar binnen giet, ga ik vanavond niet koken.
Om half negen gaat mijn telefoon al. “Godverdegodverdegodver, wie belt er nou om half negen ’s ochtends?” mompel ik terwijl ik vanuit mijn bed mijn telefoon probeer te pakken maar er net niet bij kan. Ik kom uit bed, en net op tijd neem ik op.
“He, zullen we om half tien afspreken bij Neven?” Mayra dus.
Prima, denk ik en zeg ik. “Half tien? Ja, prima.”Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken voor de onttroonde godin Mayra. Ik heb nu dat vervelende ochtendgevoel. Een ochtend kan prachtig, lumineus en briljant zijn. De morgenstond heeft goud in de mond, maar niet als het verdomme buiten net twee graden is (gevoelstemperatuur -60), het ook nog eens regent (hoef ik in elk geval niet te douchen) en je nou juist naar het meisje der meisjes der meisjes toe moet, en ze jou iets moet vertellen en je haast hebt omdat je binnen een half uur klaar moet zijn omdat de bus over 31 minuten gaat, je nog een kwartier doet over de reis, en absoluut niet te laat kan komen bij je godinnetje, je troetelprinsesje dat jou keer op keer genadeloos kan afwijzen, terwijl jij haar ondanks alles toch leuk blijft vinden. Verder is de ochtend ontzettend mooi.
Ik red het allemaal net, alleen mis ik de bus. Ik sms en bel niet, daar heb ik geen zin in. Krijg ik alleen maar koude handen van.
“Wow, just wow”, zegt Jidde tegen me nadat ik het podium af kom lopen. Christel komt naar me toe, en ik weet niet waarom, maar midden in het café zoent ze me. Lerares zoent leerling, een vreemde gewaarwording, maar het is niet erg, want mooi is ze tenminste wel. We zoenen, en ik heb sterk het gevoel dat iedereen naar ons kijkt. Alsof mensen een kring vormen, om ons heen. En dat iedereen zo optimaal kan, ja, kan wat eigenlijk? Genieten? Christel prijkt met haar net iets te grote borsten in een te strak jurkje. Misschien houdt ze van al die aandacht van mannen. Zoent ze me om anderen jaloers te maken. De barman kijkt haar aan, zij kijkt terug en knijpt met haar ogen. Ze lacht zo lief mogelijk. Stomme hoer.
Ze sleept me mee naar de uitgang. Ze zwaait naar Jidde, Din-Sae (of Sin-Dae, of Di, nou ja, hem dus), en sleurt me mee. Ik wilde eigenlijk nog even normaal gedag zeggen, maar deed het niet. Jidde stond er wat plompverloren bij. Sneu.
We lopen door de stille stad, en we zeggen weinig. Er klinkt een stilte, maar geen échte stilte. Want ik hoor mijn ademhaling, voel mijn hartslag, hoor mijn voetstappen en hoor Christel denken. Er hangt een broeierige spanning. Ze heeft me gezoend, het is nacht. Zij vroeg mij mee uit. En nu gaan we slapen, of niet slapen? Of eerst niet slapen en dan wel slapen? Ze neemt me mee, laat mijn arm los om haar sleutel te pakken, en loopt naar binnen, of nee, ze waggelt naar binnen.
“Wat wil je drinken?”, vraagt ze vanuit de keuken terwijl ik in de woonkamer van de bovenwoning op haar wacht. Het maakt me geen fuck uit wat ik naar binnen giet; neuken, ik wil neuken. Bijna roep ik het: “Geen drinken, neuken!”. Maar ook al heb ik nog zoveel bier op, ik houd het voor me. “Doe maar cola.” Origineel antwoord. Dat zouden ze eens wat vaker op feestjes moeten zeggen. Die valt in de categorie “Doe maar een biertje”.Ze komt terug met een cola, en komt naast me zitten. Net iets te dicht bij me. Er klinkt een soort stilte, maar het is een serene, spannende stilte. “Vond je het leuk?”, vraag ik, nogal onbenullig en pietpeuterig.
“Ja, ik heb veel mensen gesproken die ik al een tijdje niet gezien heb, en een jongen gezoend die ik nog niet zovaak gezoend heb. Het was wel leuk, denk ik,” antwoordt Christel.
Het voelt een beetje als de tweede eerste avond. We zijn met z’n tweeën. Niemand stoort ons. Als ik mijn cola op heb (gadverdamme, een cola-buik) en Christel opstaat begint de spanning in mijn buik pas echt toe te nemen. We lopen de trap op, en ik zie nu al door de deur van de ‘logeerkamer’ dat er een matras klaarligt. Een moment van extreme onwetendheid: Christel loopt de kledingkast in, en ze kleedt zich om, althans, ik denk dat ze zich omkleedt. Ik kan haar net niet zien, al probeerde ik wel door de kleine opening in het deurkozijn te spieken. Ze moest net iets verder naar voren staan, nu zag ik alleen af en toe een arm voorbijvliegen. Ik weet niet wat ik moet doen. Moet ik gewoon de gok wagen en in haar bed gaan liggen? Dat is ietwat abrupt. Moet ik me ook omkleden? Of zal ik wachten en kijken wat Christel zegt? Christel komt het hokje uit.Ik kom om kwart over tien bij Neven binnen, en zie Mayra al zitten. Ze is mooi. Ze zit gelukkig als enige in heel het studentencafé níet met haar mobieltje te prutsen, ook niet aan haar gezicht te frunniken; ze is gewoon Mayra, mooie Mayra. Ik loop naar het tafeltje, en ze ziet me pas als ik zit: “O, hé! Ben je daar eindelijk?” Nee, ik zit nu nog in Somalië, maar ik kom er zo aan. Beetje onbenullige vraag, maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen.
“Ja, iets te laat, maar dat ben je wel gewend van me, he?”
Ze lacht.Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
Begin niet gelezen?
May 06, 2008Ik krijg steeds vaker berichtjes van mensen dat ze het verhaal niet vanaf het begin hebben gelezen en ze het dus niet kunnen volgen. xTnc - lid van PokerNews - heeft een word-document aangemaakt met daarin het verhaal van A tot Z, van deel I tot het laatst gemaakte deel In extase.
Als je dit documentje wilt hebben moet je er maar even om vragen per:
mail: soy-tommy@hotmail.com
msn: soy-tommy@hotmail.comRead more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
In extase
May 03, 2008Ik heb de volgende twee gesloten kaarten al voor me liggen, maar ik meld het groepje dat ik stop. Ik vind het wel mooi geweest. Geen winst, geen verlies. En nog een adrenalinekick rijker ook. Ik pak mijn spullen en wil mijn fiches inleveren voor het geld. De jongens kijken me strak aan. “Waarom ga je?” vraagt de dikkere jongen. O god, gaan we moeilijk doen, is wat ik direct denk. Uit voorzorg zeg ik: “Ik wil wel rematchen, maar niet nu. Zijn jullie hier vaker?”
De jongen kijkt me even aan, geeft me mijn geld en zegt: “Elke zondag, dinsdag en vrijdag. Vanaf drie uur ’s middags.”
“Dan zien jullie me binnenkort wel weer verschijnen,” antwoord ik. Waarna Ed me een hand geeft: “Goed gespeeld, al was het kort.” Dit voor het tuig genereuze gebaar verwachtte ik eigenlijk niet. “Jij ook,” antwoord ik, al weet ik dat het in wezen nergens op slaat omdat ik maar moeilijk kan oordelen óf hij wel goed gespeeld heeft. Maar goed, ik zei het.Ik stop de envelop in mijn broekzak, en Jidde gaat door met zijn ietwat compassionele monoloog. “Al wat dichtbij is wordt ver,” zegt hij. Direct vervolgd door: “Goethe,” en nog een keer, “Goethe. Alles is vergankelijk Christoph, besef je dat wel? Alles, alles is vergankelijk godverdomme. Alles is in wording, alles is geworden, en wordt. Jouw leven is geworden zoals het nu is, en het is ook weer anders aan het worden, nu ook. Dat is een theorie van Nietzsche, alles is in wording.” Ik snap wel wat hij zegt, maar niet waarom. “Dat is het verschrikkelijke aan leven misschien wel,” vervolgt hij. Ik snap wat hij bedoelt en bevestig hem. “We zitten hier nu op een verdomd bankje, terwijl ik op stap ben met mijn lerares. Ik ontmoet een volgevreten, wandelende snackbar, en nu praten we over filosofie. En ik moet zeggen, dat je nog gelijk hebt ook. Godverdomme, je hebt nog gelijk ook. Eén ding zal altijd hetzelfde blijven: niets blijft zoals het is.” Jidde knikt, en pakt me aan mijn arm. Ik heb het gevoel dat ik een zeventiendubbele flikflak ga maken, zo abrupt trekt hij me van het bankje af, maar het valt mee. Het blijft slechts bij een dubbele flikflak.
We lopen door de winkelstraat, maar nu gewoon naast elkaar. Waarschijnlijk zijn de meeste mensen toch te dronken om zich te herinneren dat we net als twee dronken gehandicapten achter elkaar liepen, dus daar hoef ik me geen zorgen meer om te maken. “Oke, en nu ga je zuipen, feesten, geen aandacht aan Christel besteden, sta boven haar. Dat is nog nooit iemand gelukt. Ik heb al haar vriendjes al meegemaakt en allemaal gingen ze ten onder na een paar maanden, omdat ze zich ongelukkig gingen voelen door de dominantie van Christel. Maar als jij niet meer verliefd bent, zou je wel eens boven haar kunnen staan. Jij bent een potentieel overleveraartje. En nu, eins, zwei drei zaufen!”
Terwijl we voor het café staan, horen we keihard ‘Heeee!’, Waarna alle mensen de muziek naroepen: ‘Heeee!’. En nog een keer: ‘Heeeee!’. En wederom zingt het publiek de muziek na. Ik bestel een dubbele whisky, en voor Jidde acht biertjes. De whisky is in no time weg. Ik sta tegenover Jidde, die fanatiek bier achterover slaat, en eigenlijk is het best gezellig om op stap te zijn met een medemisantroop. Na die whisky is de sfeer opeens een stuk euforischer. Een vrouw van rond de 30 draait zich naar me om en schreeuwt werkelijk ‘Kom van dat dak af!’. Ze pakt mijn handen, en ik roep nu mee: ‘Ik waarschuw niet meer! Nee, nìnìnìnìnì van dat dak af, dit is de laatste keer!’. Ik schreeuw nu, Jidde ook, ik word omhelsd door de vrouw, Jidde wordt ook omhelsd aan zijn linker- en rechterzijde, door een jongen en een wat oudere vrouw. Christel kijkt terwijl ik omhelsd word, en ik voel me ontzettend sterk. ‘Kom van dat dak af, het is de laatste keer!’. En het lied is afgelopen, ik lach me kapot, waarom weet ik niet. Christel staat in een hoekje te creperen. Ze kijkt kwaadachtig lief, of eigenlijk denk ik eerder liefachtig woest. Ik sta boven haar.
Ik sta op, en voel acht ogen die me nakijken. Zes jongensogen, en twee meisjesogen. Ik loop richting het busstation, en druk op de liftknop om naar beneden te gaan. De liftknoppen in Hoog Catharijne staan niet bekend om de hygiëne ervan. Ik heb het idee dat elke keer als je dat knopje indrukt, je weer een ziekte rijker bent. Op de mouw van mijn trui zit een vlekje, en ik maak mijn hand met een beetje speeksel nat om de vlek eruit te wrijven. Ik ga bijna over mijn nek, als ik besef dat ik net nog aan die liftknop zat, met de vinger die ik nu in mijn mond heb. De kans dat precies díe vinger in mijn mond belandt is 1 op 10, en tóch… Nou ja, variance, zullen we maar zeggen.
Ik hoef niet lang op de bus richting Overvecht te wachten. Nog twee minuten, zie ik op mijn digitale horloge waar ik ook mee kan bellen. Precies als ik het geval weer in mijn broekzak wil doen, word ik gebeld. Het is Mayra, en ik weet niet of ik op moet nemen. “He,” zeg ik in mijn telefoon nadat ik op het groene knopje duw, en net besloten had niet op te nemen (ik neem niet op, ik neem écht niet op, klik: “He.”). Ik heb het enthousiaste alter-ego van Mayra aan de telefoon.
“He, alles goed? Lang geleden, he?!”, krijg ik als antwoord. Wat heb je nodig, is het eerste wat ik denk.
“Ja, inderdaad. Veel te lang, joh,” antwoord ik, semi-liegend.
“He, heb jij zin om morgen even wat te gaan drinken in Neven?”, vraagt Mayra op haar beurt weer. Een aanbod dat ik nooit van m’n leven af zal (en kan) slaan.
“Ja, maar ik weet niet zeker of ik morgen kan.”
“Nou, ik moet je iets vertellen. Dus als het kan, zo snel mogelijk alsjeblieft,” antwoordt Mayra weer.
“Oke, ik maak wel tijd.”
“Oke, doeg, tot morgen.”
“Tot morgen,” zeg ik en ik hang op.De muziek is afgelopen, en zo te zien heeft er in het café waar we zijn net een bandje opgetreden, toen Jidde en ik de wereldproblemen aan het oplossen waren. Er staat nog een gitaar, en een saxofoon. Toevallig, aangezien ik gitaar speel, en Christel saxofoon. Ik loop naar het podium, en zie een jongen staan waarvan ik vermoed dat hij een bandlid is. Ik vraag: “Mag ik even?”. De jongen kijkt me vriendelijk aan en geeft me gelijk toestemming. Ik tokkel wat op de snaren, maar schrik dat het geval nog op de boxen staat aangesloten. Ik raak de snaren zo zacht mogelijk aan en speel zo voor de dronken cafébezoekers bijna onhoorbaar een liedje. Het is echter behoorlijk hinderlijk om continu zo zacht te spelen. Misschien dat het de whisky was, maar ik speelde nu over de boxen op een gitaar in een café. De dj kijkt naar me, en zet de muziek nu af. Ik begin langzaam met een bluesachtige intro. Ik zie honderden ogen naar me staren. Die van Christel, en ook die van de 30-jarige vrouw die me omhelsde en onder die knuffel in mijn nek zoende (maar dat heeft Christel niet gezien, hoop ik althans). Het ritme gaat omhoog, en ik merk dat dit aanslaat. Nog zeven akkoorden, dan begint de solo, weet ik omdat ik dit nummer al honderden keren, misschien wel duizenden keren thuis heb gespeeld de afgelopen maanden. Nog zes, vier, twee, en daar gaan we. Ik sta als een dronken luchtgitarist, maar dan met een echte gitaar te soleren in een café. Het publiek gaat uit zijn dak. Er staan mannen van 20, 30, 40, 50 en nog ouder te swingen. Sommigen spelen luchtgitaar, anderen dansen er wild op los. Ik geniet, dit is het. Beter dan seks, dit is het. Beter dan zes buy-ins up zijn op een avond. Ik sluit de moeilijke solo spetterend af, en het eindakkoord klinkt nog na in de boxen, waarna ik een daverend applaus inneem. Ik stap het podium af. De jongen van de band geeft me een compliment: “Super, echt gaaf man!”. Ik bedank hem, en loop naar Jidde, terwijl ik in mijn ooghoeken Christel nog liefachtig woester zie kijken.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory
-
De tweede slag en een envelop
April 30, 2008Er lopen weinig mensen door de gang waarin ik zit. Eigenlijk zijn de enige aanwezigen de jongens achter het tafelte, ikzelf en een decadente homo die in een hoekje staat met een regenjas, en om de haverklap zijn regenjas opentrekt, waarop alle voorbijgangers stante pede hun pas onderbreken, een compliment geven over de zijn penislengte, en weer doorlopen. Inmiddels is de regenjas al een tijdje ongeopend gebleven, omdat er weinig winkelbezoekers meer rondhuppelen in het complex. Overigens heb ik geen antipathie tegen homo’s, integendeel (al is de verfijndheid in combinatie met de innerlijke krachteloosheid af en toe iets wat me stoort), maar wel tegen homo’s die in een hoekje van een gang van een winkelcentrum een regenjas open en dicht staan te doen, als een soort zelfverheerlijking, terwijl hun ogen vragen om complimenten over hun penislengte, maar enfin.
Terwijl ik met emmers mijn broek aan het ontdoen ben van mijn zweet (Hoog Catharijne, bestel de zandzakken en dijkbouwers maar alvast), komt het meisje van achter het tafeltje terug, ik weet niet waarom ze weg is geweest. Ze gaat naast Ed zitten. De uitstraling van het meisje doet me een beetje denken aan Mayra. Denken aan Mayra heb ik de laatste dagen opvallend weinig gedaan. Misschien komt dat wel door de teleurstelling die ze tot me heeft gebracht. Toen ik haar voor het eerst sprak, op introductiekamp van mijn studie, dacht ik nog dat ik eindelijk de ware was tegengekomen. Zij hield ook van regen, en zij haatte uitgaan ook, en zij haatte alle mensen die mee waren op kamp, ze haatte het kamp zelf, en ook alle mensen die niet mee op kamp waren haatte ze. Een misantroop, zoals ik dat zelf ook ben.
Ik krijg de tweede hand gedeeld van Ed, die net als de vorige hand de kaarten deelt ondanks het feit dat ik de eerste hand de dealerbutton voor me had liggen. Hij raiset, nadat hij in zijn kaarten heeft gekeken – nu wel, in tegenstelling tot de eerste hand. Ik kijk en krijg wat zenuwen. Na even te hebben nagedacht, besluit ik te reraisen. Ed kijkt me aan, ik kijk naar beneden. Ik voel weer zenuwen in mijn buik, en het is maar goed dat ik net even met wat emmers mijn broek leegde. Ed denkt niet al te lang na, en besluit vrij snel te: “Call.” De eerste flop die we gaan spelen komt nu, de pot is na mijn 3-bet naar 36 euro al 72 euro, wat neerkomt op ongeveer 1/15 van mijn volledige online bankroll. De flop bestaat uit de harten aas, schoppen tien en klaver drie. Ik pijns eventjes, en besluit te checken. Ed kijkt me lang aan, ook voor hem ligt er op welke manier dan ook druk op het spel, dat merk ik. Misschien dat hij een schuld heeft bij de andere jongens, of dat het voor hen ook gewoon veel geld is. Ik weet het niet. Hij kijkt strak, zijn pokerface is in elk geval goed. “Ik bet, 60,” zegt hij na enig moment denken. Ik probeer hem op een hand te zetten, maar ik kan niet goed tot een conclusie komen. Ik denk aan mijn online bankroll. Ik denk diep na. Ed verwacht veel fold equity te hebben, omdat er een aas ligt en ik dus elke hand behalve een set of een aas weg moet leggen. Als hij dus weet dat hij vaak de pot op zal pakken, zal hij ook vaker bluffen. Hij weet niet dat ik dat weet, dus in feite is all-in gaan hier op lange termijn winstgevend. “All-in,” zeg ik.
Al snel kwam ik er echter achter dat Mayra toch niet zo idyllisch is als ik dacht. Naast misantropie, bleek ook verbitterdheid een diepgewortelde eigenschap van haar te zijn. Niet dat ik me daar aan stoor, want ik ben zelf ook verbitterd tot op het bot. Maar heb ik de goede gewoonte mezelf meer toe te staan dan anderen. Zo mag ik wel verbitterd zijn, maar Mayra niet. En als ik een pessimistische, melancholische, misantropische en zwaarmoedige dag heb, dan neem ik mezelf dat niet kwalijk. Maar als een van mijn huisgenoten weer eens loopt te zaniken dat de wasmachine zoveel lawaai maakt of nog erger, een opmerking maakt over míjn zwaarmoedige gezeur, dan vind ik heel oprecht dat zo iemand maar beter een nekschot kan krijgen nadat hij eerst in een ondergescheten glasbak zestien keer met zijn hoofd de bovenkant moest raken door op en neer te springen. Maar dat weer even geheel terzijde.
Ze had al dagenlang niks van zich laten horen, en naar gevoelstijd al maanden niet. Eigenlijk is het misschien maar goed ook, dat ik niks meer van haar hoor. Ondraaglijk hard was ze de laatste keer dat ik haar sprak, in tegenstelling tot de eerste dagen dat ik leerde kennen, haar heel goed leerde kennen, van binnen en van buiten.
Eventjes denkt Ed na, ik zie dat hij vrij sterk is, maar dat geeft niet, hij moet eerst maar eens callen. “Wil je voor de helft spelen, een pot van 400 dus?” vraagt hij opeens, waarmee hij informatie probeert los te krijgen, maar zelf ook informatie weggeeft. Ik besluit mijn risico’s te verkleinen, en stem toe. “Oke, ik call,” zegt hij daarop direct, wat ik eigenlijk niet verwacht. Hij draait de turn, een zeven, die geeft nog een heel klein beetje hoop. Maar na de twee als vijfde kaart muck ik acht-negen suited. Ontzet, zit ik op mijn stoel, ik heb zojuist 200 euro verloren aan wat straatjochies. Ik sta op, en loop richting de pinautomaat. De zwerver die daar vlakbij staat, doet zijn regenjas open. Ik geef geen compliment. Ik pin 600 euro, en zit daarmee voor vandaag aan de maximale limiet, en waarschijnlijk is er niet veel meer van mijn bankrekening over op dit moment. Ik tilt niet, merk ik. Ik heb eerder een overwinningsgevoel. Ik zal eens wat laten zien, godverdomme. Een stoot energie dringt door tot mijn lichaam. Ik wil schelden, juichen, pokeren, verhogen, verhogen, over-agressief spelen, dit wordt mijn dag. Een dag dat álles lukt. Holladiejé.
Jidde loopt achter me, loopt mee naar buiten, hij duwt naar rechts. We lopen door de winkelstraat, en mensen kijken ons aan omdat Jidde nog altijd als een agent achter me loopt. Het boeit me niet zo. Hij had wat voor me, zei hij. Ondertussen praat hij tegen me: “Ik weet alles van jullie,” zegt hij. Ik vraag me af wie hij met ‘jullie bedoelt’, en wat hij dan van ons weet. We naderen het einde van de winkelstraat, en lopen rechtdoor een drukke tweebaansweg over, richting een soort parkje. Hij zet me neer op een bankje, en komt naast me zitten. Het bankje kraakt wat nadat Jidde zich erop liet zakken, en ik voel wat medelijden opkomen ten opzichte van het bankje. “Ik weet alles,” zegt hij nog een keer, een beetje geheimzinnig. Jidde kijkt me strak, maar niet onvriendelijk aan. Ik vraag me af wat zijn doel is. Hij gooit een steentje in het water, en ik hoor het verderop vallen in het vijvertje: ‘plop’.
Het is een semi-plechtig sfeertje, dat om ons heen hangt. “Luister,” begint Jidde. “Ik stond zojuist heel gezellig te doen in die kroeg, maar eigenlijk haat ik de sfeer. De mensen vind ik zielige inhoudloze flikkers, die op zoek zijn naar aandacht, en het hoofddoel dat alle mensen daar tezamen hebben is seks. Ze zijn alleen weer te zielig en lefloos om af te stappen op diegene die ze adoreren. Dan resten er twee opties, ze gaan gezellig staan doen, en de volgende week proberen ze al hun moed bij elkaar te rapen om dan wél af te stappen op ‘de ware’, wat dan uiteraard weer niet lukt, ze zich dan weer hetzelfde voornemen, waarna het weer niet lukt, en weer niet, en weer niet. Of ze gooien zich vol met zoveel alcohol, dat ze zich zo ontzettend voor schut zetten dat hun god verafschuwd op hen neerkijkt, waarna ze afgewezen worden met zinnetjes als “Jou zou ik mijn stront in de wc nog niet door laten spoelen, zo weinig ben je waard” of iets dergelijks. Ik haat zulke mensen in die kroegen, en ze zijn allemaal zo. Ik heb overigens ook een schurfthekel aan alle mensen búiten die kroegen, maar dat is weer een heel ander verhaal.” Ik mocht Jidde wel.
“Ontken maar niet dat je me een wandelende snackbar vindt, en dat je nu het vermoeden hebt dat ik tot die groep behoorde die zich volgooide met biertjes. Dat je dat denkt, kan me niets schelen.” Ik moet toegeven dat ik hij wel enigszins telepathische zintuigen had, want ik dacht inderdaad zoiets. “Ik had echter vanaf het begin al het idee dat je je mee hebt laten slepen door Christel. Dat doet ze namelijk met al haar vriendjes. Ik waarschuw je voor haar. De enige reden dat ik nu mee ben naar die kroeg, is dat ik verschrikkelijk verliefd ben op Christel. In feite hoor ik dus ook tot die wanhopige groep kroeggangers. Maar ik waarschuw je, ze is manipulatief, en ze is voor veel mensen, en waarschijnlijk ook voor jou, te slim.” (Te slim voor mij? Ha! Laat me niet lachen, maar enfin.) “Hier, dit heb ik voor je meegenomen. Maak het pas open als je thuis bent en geef het niet aan Christel, dan snap je misschien iets beter wat ik bedoel.” Hij overhandigde me een envelop.
Ik loop terug naar het tafeltje met de mededeling: “Rebuy.” De dikke jongen die ik een beetje als leider van het groepje zie, zegt daarop direct: “Zozo, klaar om nog meer te verliezen? Een doorzettertje, hoor. Stoer mannetje.” Vroeger zou ik nog wel geraakt worden door dit soort opmerkingen. Toen was ik kwetsbaar, bescheiden, verlegen. Nu ben ik onaantastbaar, arrogant en bij vlagen spraakzaam. Ik trek me niks van de opmerking aan, ik voel me eerder gesterkt door zijn opmerking.
Ik zit op de dealerbutton, en de volgende hand wordt gedeeld. Ik zit met 400 euro, en Ed met 600. Ik raise naar twaalf euro, en Ed callt direct zonder na te denken. Hij pakt de kaarten en legt er drie open. Hij moet het als eerste zeggen, en ik voel dat hij wil betten, maar toch checkt hij na een paar secondes al naar me toe. Ik kijk naar mijn kaarten, in het hoekje van één kaart zie ik een hoofdletter A staan. Op de flop ligt zo’n zelfde A, een aas. Ik zet de pot in, en direct callt Ed. Op de turn checkt hij direct, en ik zet direct wéér de pot in. Ed callt weer. Op de river is de pot 120, en ik zet nog eens 80 euro in, waarna Ed wederom dírect callt. Hij legt zijn hand open, pocket acht. De river is een acht. Ik kijk hem aan, hij kijkt mij aan. Hij wil de fiches naar zich toeschuiven, terwijl ik mijn eerste kaart openleg, de aas. Ed kijkt me ongeduldig aan, want hij is niet zeker de winnaar. De zenuwen gieren nu door mijn lichaam, waarom weet ik eigenlijk niet eens want het resultaat is al bekend. Mijn tweede kaart leg ik nu ook open, en Ed kijkt ernaar. Direct daarna kijkt hij naar mij, en weer naar de tweede aas die ik openlegde, goed voor een set azen.
Read more: Quagmiron, Pokerverhaal, Pokerstory





