Weer dichtbij
Monday, May 19, 2008 15:58Direct staat ze op.
“Teringzooi,” is het eerste wat ze zegt. Ik begrijp niet waarom ze het zegt. Verbaasd kijk ik haar aan. Ik nog liggend, zij staand.
“Sorry, dit is mijn fout. Ik kan het gewoon niet. Ik verlies me in momenten met jou. Ik weet dat het pathetisch klinkt, maar ik kan dit niet maken tegenover Died.”
Ik voel me alsof er zojuist een dolk door mijn hart is geboord. Van climax naar ant-climax. Ik voel me als een voetballer die zojuist de Champions League heeft gewonnen, maar tijdens het vieren van de overwinning een telefoontje krijgt dat zijn ouders een dodelijk auto-ongeluk hebben gehad. Climax, anti-climax. ‘Al wat dichtbij is wordt ver’ is een citaat dat ik me herinner uit één van de eerste filosofiecolleges dit jaar. Ik kan Goethe geen ongelijk geven, op dit moment.
Ze staat op en begint te lopen, langs Neven, door Utrecht. Ik probeer haar te volgen en vraag wat haar opeens doet beslissen zich zo afzijdig te gedragen, niet in die Bloemendaalbewoordingen natuurlijk. “Het ligt niet aan jou,” zegt zij. Ben ik vet mee, denk ik. Ze blijft stug doorlopen, en ik blijf in haar kielzog. We passeren talloze winkels. Voorbijgangers doen er niet toe, die worden roekeloos aan de kant geschoven door Mayra. Ik loop maar achter haar aan, waarom weet ik eigenlijk niet eens. Het gevoel dat alle mensen die we passeren ons verontwaardigd aankijken doet me niets. Het beeldschone schoonheidje der schoonheidjes der schoonheidjes paradeert, nee, snelwandelt inmiddels vlak voor me door Utrecht. Ik banjer mee, door de drukte.
Ik loop naar de woonkamer, met de envelop in mijn handen. Onhandig open ik de envelop (normale mensen kunnen feilloos een envelop openen, keurig langs het randje. Altijd als ik daartoe een poging doe, scheurt de envelop hopeloos naar de binnenkant, maar enfin), en ik zie een wat morsig, wanordelijk, vaal groen opgevouwen papiertje in de envelop. Ik haal het eruit, en vouw het open. Ondertussen luister ik naar de saxofoonmuziek van Boots Randolph, die ik voor deze beslotend privé-onthulling heb opgezet. Een eenpersoonsonthullinkje, zou ik het kunnen noemen. De tonen van de saxofoon die bespeeld wordt klinken diep, langzaam. Het is een alt-sax, denk ik. Niet dat ik er verstand van heb, maar ik vind het wel interessant klinken om zoiets te zeggen.
Ik ontvouw het papiertje totdat het zijn authentieke A4-formaat weer heeft aangenomen. “Hier word je wat wijzer van,” vertelde Jidde me, waar ik toch erg sterk vraagtekens bij moet zetten. Met rode stift, bijna bloedletterig staat er op het papiertje geschreven: “HET LEVEN IS EEN ELASTIEKJE. JE REKT HET UIT TOT HET KNAPT. WAAR JE MEE BEGINT, DAAR EINDIG JE MEE.” Erg onthullend vind ik het niet, en wijzer word ik er ook niet van. Het elastiekje, uitrekken, beginnen waar ik mee eindig; de bomen staan me even in de weg om ook maar enigszins een idee te krijgen van hoe het bos eruit ziet.
De alt-saxofoon klinkt nog steeds, en ik moet zeggen dat, ondanks de tegenvallende inhoud van de envelop, ik wel geniet van dit moment. Het is een exclusiviteit die ik nog niet eerder gevoeld heb. Ik, hier alleen in een huis van een lerares, genietend van de diepe klanken van een mooi stuk sfeermuziek, nadenkend over een vage boodschap op een geheimzinnig papiertje. Als ik eenmaal uitgedacht ben, besef ik dat ik op moet schieten om niet te laat bij mijn middelbare schoolfilosofielesje moet zijn. Ik moet bekennen dat ik daar zin in heb. Filosofielessen worden gegeven door een Turkse leraar die ik rond de 25 jaar schat. De klas bestaat uit twee leerlingen: Christoph en Arjé. Meer dan films kijken en wat slap lullen over nutteloze actualiteiten doen we eigenlijk niet. Aan het einde van elke periode krijgen we een eenzijdig bedrukt A4’tje waar opstaat wat we ongeveer moeten kennen voor het tentamen dat meestal twee dagen na de uitreiking van het A4’tje gepland staat, en haal je je papiertje voor filosofie, hoop je tenminste. Ik loop naar de gang, en doe mijn jas aan. Ik loop naar beneden en pak mijn fiets, rijd weg naar school en onderweg denk ik nog even na. Dat elastiekje, dat begin, het eind.
We komen nu aan bij het busstation, en Mayra loopt nog altijd stug door. Ze gaat met de roltrap omhoog, naar Hoog Catharijne. Ik heb moeite haar bij te benen. Eenmaal boven loopt ze naar een perron, helemaal achterin. Ze loopt niet; ze rent. Ik kan haar eindelijk inhalen en stil laten staan. In de stad was ze ver van me verwijderd, maar ze staat weer vlak voor me, dus in letterlijke zin had Goethe ongelijk, maar dit is ongetwijfeld een misinterpretatie van zijn bijzonder doordachte citaat. Door de stationshal galmt, achteraf gezien ironisch genoeg, het nummer Relax, van Mika. Hijgend sta ik tegenover Mayra.
“Goed nummer, hè?” zeg ik quasi-grappig, achteraf gezien misschien een beetje misplaatst. Mayra kan het niet echt waarderen, geloof ik.
“Wat is er nou? Waarom volg je me? Sorry, maar ik moet weg, ik moet dit even verwerken!”
Stilte.
Ze kijkt me indringend aan, met een blik alsof ze elk moment naar het perron kan lopen, tenzij ik nog iets te zeggen heb. Ik sta plat gezegd met mijn bek vol tanden, en netjes gezegd met mijn mond vol tanden. Maar zoals het een impulsieve genie betaamt, schiet me net op tijd iets te binnen.
“Je hoeft geen sorry te zeggen. Je zal ongetwijfeld je redenen hebben voor je gedrag nu. Maar ik denk dat de reden niet is dat je zoveel van Diederik houdt. Je wekt bij mij eerder de indruk dat je vindt dat je van hem moet houden. Het is voor mij een beetje het verhaal ‘denken wat je vindt dat je moet denken’. Snap je?”
Het was een poging waard. Mayra kijkt me opeens wat aandoenlijker aan. Ik hoop dat mijn woorden doordringen. Ze knippert een paar keer met haar mooie ogen.
“Nee, ik snap het niet.” Een schoolvoorbeeldje vervlogen hoop, zou ik het noemen. “Maar vooruit, kom mee. Dan kan je het uitleggen,” vervolgt ze direct daarop. Mayra loopt voorop, en zoals al heel de dag loop ik haar maar weer achterna, benieuwd wat me nu weer te wachten staat. Het is inmiddels half twee geweest, zie ik onder het lopen. Bij de Vroom & Dreesman stopt ze haar full time demarrage. Ze loopt naar binnen en we klimmen tot de hoogste etage. Ik volg haar een ruimte binnen die aandoet als een grand café. Alle tafeltjes bij het raam zijn bezet. Jammer, vindt Mayra, vind ik, vinden wij. Denken en spreken in de wij-vorm is iets wat ik op dit moment nauwelijks in praktijk durf te brengen. Ik ga zitten, en ik weet dat dit het begin is van een nog uit te spreken pathetische, melancholische preek waarna Mayra er nog niets van snapt, en alsnog naar huis gaat. Ik probeer een geniale spontaniteit te ontdekken in mijn denkstelsel, maar het komt niet. Verrassend moet het zijn. Wat kan ik zeggen? Hoe ga ik uitleggen wat ik net maar wat stond te wawwelen?
“Ik vind het erger als ik net het laatste beetje cola van de fles moet drinken, omdat dan de prik eraf is, dan dat mensen in Afrika elkaar de messen in het lijf steken. Daar schaam ik mij niet voor,” begin ik, hopend dat ze de link met de hele situatie nog niet legt en daardoor des te geconcentreerder naar me luistert om de koppeling met de huidige situatie te ontdekken.
“Dat beetje cola, dat zijn wij. Afrika is Diederik. Ik heb erg sterk het idee dat je leunt op de duurzaamheid van jullie relatie. Jij vindt dat ómdat jullie al zolang samen zijn, het zonde zou zijn dat nu overboord te gooien en opnieuw te beginnen met iemand anders. Als je logisch nadenkt zou het niet zo moeten zijn. Het zou zo moeten zijn dat jij onder die boom met hem lag, niet met mij. Als je daar wél met mij ligt, is dat maar weer eens een bewijs aan het gebrek aan monogamie dat de mens heeft. Vreemdgaan zit in de aard van het beestje. Na twee of drie jaar is dat vlindertje in je buik ook wel eens uitgehongerd, en dan kruipt de volgende rups alweer uit zijn cocon.” Amen. Het begon eigenlijk best nog wel ergens naar te klinken, vond ik zelf. Sterker nog, dit is een heuse literaire monoloog, die ik hier aan een tafeltje in de V&D zit te houden. Een redevoering. Vergeleken met mijn betoog alhier, was Hitler niet meer dan een stotterende en hakkelende Jan-Peter Balkenende die na een zoveelste mediatraining commentaar probeert te geven na een aanslag op Schiphol.
Mayra lijkt onder de indruk. Ze is weer iets meer bij haar positieven, dan haar zojuist plotselinge emotie-explosie. Ze zegt dat ze het allemaal even niet weet, waarna ze zich duizendmaal excuseert (Echt, sorry! Het is oke, het geeft niet. Echt sorry. Geeft niet. Sorry. Is oke, Echt sorry. Geeft écht niet). Het gaf natuurlijk wel, maar ik neem de begrijpende vriendrol op me. Daarnaast begreep ik het ook eigenlijk wel, een beetje dan. Of nou ja, een heel klein beetje. Of nou ja, een heel, heel, heel, heel klein beetje. Of nou ja, eigenlijk niet.
Ik herken de verlammende werking die een relatie lijkt te hebben op mensen. Ik was ook verlamd, in een tijdperk dat tegenwoordig door het leven gaat als De Teloorgang van het Vertrouwen, mede mogelijk gemaakt door Christel Lenton. Maar over de periode met Christel vertel ik later nog wel eens.
Aangekomen bij school weet ik dat Christel ook les zou moeten geven, of net gegeven heeft. Haar fiets, staat die er? Jawel, ze is er nog. Ik loop naar binnen, en de bel gaat juist op het moment dat ik binnenstap. Ik loop direct naar het lokaal, waar Arjé al staat te wachten. Arjé is een boomlange, contactgestoorde, langharige Slip Knotfan, maar daarom zeker niet onaardig. Sterker nog, Arjé is één van de weinigen waarmee ik het wel vrij goed kan vinden. Ik loop naar binnen, en zoals Arjé eigen begroet hij me met een sprongetje in de lucht waarbij hij zijn benen tegen elkaar schopt, gevolgd door de kreet ‘Wadap doaa?!’. Beetje jammer, vind ik dat dan weer. Maar enfin, er bestaat een meer dan gradueel verschil tussen ‘niet onaardige Slip Knotfans’, en literair aangelegde pokergeniën, dat moet ik onderkennen. Zoals gebruikelijk moeten we wachten op Tasvöl, de Turkse leraar filosofie, die naar gewoonte minstens vijf minuten, en maximaal een lesuur te laat is. Ondertussen basketbal ik wat met Arjé. Ons brood verdwijnt in de pre-filosofielesuren vaak ik de ronde prullenbakken. Leuk, vinden we dat, denk ik. Of niet, kan ook. Dat doet er verder ook niet echt toe, wat we vinden van basketballen met brood in ronde prullenbakken.
Tassie, zoals we onze knuffelturk liefkozend noemen, maakt het niet al te bont. We klokken 14 minuten en 52 seconden. Snel gooit hij zijn tas onder het lerarenbureautje in het lokaal, en begint hij met de les. Zoals gebruikelijk begint hij wildgebarend en snel te praten. Gepassioneerd, vol enthousiasme. “We gaan het hebben over filosofie, vandaag. Ik weet dat jullie geen pen en papier bij hebben voor deze les omdat dat normaal niet nodig is, maar luister op z’n minst. Het wordt interessant. Niet interessant zoals jullie dat bij economie of wiskunde beloofd wordt. Echt interessant. We gaan analyseren wie wat doet en waarom, in een groep.”
“Ik weet het echt niet,” begint Mayra haar antwoord. De mensen van het tafeltje bij het raam gaan weg. Mayra en ik verruilen ons territorium voor het plekje bij het raam. Het zou de natte droom zijn van een regisseur. Twee jonge mensen tegenover elkaar aan een klein vierkant tafeltje, met als achtergrond het stadsaanzicht van Utrecht, de Dom prijkend in de skyline van Utrecht, die verder louter bestaat uit geveltjes van oude panden. Mayra zakt wat achterover, en haar benen liggen nu onder mijn stoel. Ze raakt mijn voeten. Omdat we bij de V&D zitten, moet de regisseur er zelf maar een mooi sfeermuziekje onder zetten. Mayra en ik moeten dat er maar bij fantaseren. We zitten eerst een tijdje zonder iets tegen elkaar te zeggen. We kijken allebei naar buiten, om maar ergens naar te kijken. Maar ondertussen houden we elkaar in onze ooghoeken scherp in de gaten. Als ik af en toe denk een momentje van onachtzaamheid te ontdekken bij haar, kijk ik naar haar lieve gezichtje. De verkleinvorm past goed bij haar. Zonder te weten waarom, moet ik lachen. Bij ieder ander zou het lomp aandoen om midden in een stilte een schaterlach uit je mond te laten gaan, maar niet bij Mayra. Ze lacht ook, en knijpt daarbij haar ogen tot kleine spleetjes. Lief, vind ik die ogen.
“Jij bent hoe je heet,” zeg ik uit het niets. Mayra kijkt me vragend aan, en ik vraag haar of ze weet wat haar naam betekent.
“Beeldschoon”, zeg ik nadat ze nee schudde. Ze snapt me en lacht weer lief. Ik noem haar pesterig een Mayra-Chineesje. Haar voeten zoeken mijn voeten en ik klem nu haar benen tussen de mijne. Ze leunt voorover op haar handen. We zijn geëvolueerd tot enkel nog schaduwen, als de regisseur weer even aan het woord is. Van een afstandje ziet hij links een meisjesschaduw, met haar hoofd voorovergebogen leunend op haar armen. Aan de rechterkant een jongensaanblik, in dezelfde houding als het meisje. Op momenten als deze, dat ik dicht met mijn gezicht bij het gezicht van een meisje ben, schiet altijd door mijn hoofd wat ik kan doen of zeggen. Uiteraard is er altijd de broeierige zoenmogelijkheid die in mijn achterhoofd speelt en soms brutaal op de voorgrond treedt. Ook nu kijk ik een beetje onwetend naar Mayra. Als ik mijn hele leven zo zou blijven zitten, zou ik best met genoegen terug kunnen kijken op mijn leven, geef ik toe. Op het feit dat ik niet mijn literaire aspiraties waar kan maken na dan, maar dat zou ik voor Mayra misschien wel voor lief nemen. Het voelt alsof dit het perfecte misantropiemomentje is.
Ik doe een poging misantropie en een compliment te koppelen in één zin. Ik zou iemand die dit zou zeggen een slijmerige hufter vinden, maar toch zei ik het. “Ik haat alle mensen hier in de V&D, en ook iedereen daarbuiten, behalve jou.” Hier had ik gehoopt een soort rewind-knop te hebben, om die opmerking ongedaan te maken, al vond ik het wel een vondst, dat moet ik toegeven. Ik vond het een vondst om mijn mensenhaat te associëren met een compliment aan haar.
De blik die volgde na mijn opmerking was er één, die in mijn slechte geheugen gegrift staat. Iets dat in mijn geheugen gegrift staat, moet wel van erg grote klasse zijn. Dat zegt iets over zowel datgene dat ik moet onthouden, als ook over mijn geheugen. Haar ogen knipperden na mijn opmerking, en haar lippen bleven stijf op elkaar, maar werden wel ietwat verbreed. Haar ogen straalden, en op het moment dat de schaduwen in een film naar elkaar toe zouden moeten gaan, luidden de reeds legendarische woorden: “Ik heb honger.”
Op dat moment was ik zo in de wolken, dat ik al haar verzoeken consequent en per direct wilde invoeren. Honger? Dan gaan we wat eten. En nog geen twee minuten nadat ze blijk had gegeven van haar te lege maag, stonden we in de rij bij snackbar Geniet-met-en-zonder-mate(n), geen erg commerciële naam, vond (vind) ik. In de rij kregen we nog een lange discussie (het was druk). Wilde ik een bakje, of een puntzak friet? En zij? Maar als we nou allebei iets anders wilden, hoe moest dat dan? Dat was niet echt eensgezind, toch? Het werd een beetje een running gag, naarmate we de grap vaker gingen herhalen. Het was niet eens een grap, maar toch was het grappig. Hangerig en loom stonden we tegen elkaar aan, heftig in discussie waarom we wel of geen bakje of puntzak moesten nemen, en wie er zou bestellen. Het was een erg intellectuele bedoeling, zo in de rij van de snackbar. Uiteindelijk kregen we ons eten, werkten we het in no time naar binnen, en besloten we alvast richting stationshal te lopen.
We settelden ons op een bankje, en ik ging steeds iets dichter bij haar zitten, legde mijn hoofd op haar schouder, en lag me in te houden haar te zoenen, zo mooi zat ze op dat bankje. Op de schouder van mijn droommeisje der droommeisjes der droommeisjes lig ik in Hoog Catharijne, niet wetend wat ik moet zeggen of doen. Ik kijk naar haar, zij niet naar mij. Zij kijkt recht de stationshal in. Hoe ze kijkt, weet ik niet eens. Lief is een te simplistische, maar toch treffende omschrijving. Ik herhaal mezelf als ik zeg dat ik niet weet wat vrouwen willen, en pleeg daarmee ook plagiaat ten opzichte van Freud, maar toch zeg ik het, en – vooral – voel ik het, hier en nu.
Ik voel sterk de neiging haar bruut vast te pakken en haar gewoon te zoenen, of ze nou wil of niet. Ik kijk haar aan, en ze frutselt wat in haar tas. Ze pakt haar telefoon. Ze toets snel een nummer in, maar ik zou niet weten van wie, en waarom. Ik haal mijn hoofd van haar schouder af, en ik hoor de telefoon overgaan. Eén keer. Twee keer. Mayra kijkt niet naar me, maar ze geeft me het gevoel dat ze ogen in haar achterhoofd heeft, want ik voel me erg bekeken door haar.
Terwijl in de stationshal alle ongeschoolde, gemaskerde, quasi-intellectuele en vooral lelijke mensen zich voortbewegen hoor ik een jongensstem opnemen. Mayra loopt weg, en ik kijk haar na. Ze laat haar tas staan, wat voor mij zekerheid biedt dat ze niet naar de trein zal snellen. Ze loopt ver weg, zeker dertig meter. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor ze weg is, en op de stationsklokken zie ik langzaam de secondewijzer voortgaan. Minuutje na minuutje gaat voorbij, en ik ben ongeduldig. Waarom belt ze opeens, en waarom zolang? Het kan geen doodsboodschap zijn van haar ouders, of zoiets. Dan had zij zelf niet gebeld. Nadat ik elf minuten heb geklokt voel ik plotseling twee handen aan mijn hoofd. Vrij abrupt draaien de handen mijn hoofd om, en zoenen zachte lippen mijn lippen. Ik weet niet wat me overkomt, maar ik weet, ik próéf dat dit Mayra is. Als mijn smaak me nu in de steek had gelaten, bestond de mogelijkheid dat ik nu een verdwaalde nicht stond te tongen, maar ik sloot alle opties uit, behalve Mayra. De zoen is het genot zelve. Een definitie van genot doet alleszins tekort aan dit gevoel. Optimale voldoening is een understatement voor dit gevoel. Tot ik opeens een baard voel, en opkijk. Een oude zwerver is wat ik… Nee, zo ging het niet. Na het onaardse gevoel, verwijdert een gezicht dat wel erg veel op Mayra’s gezicht lijkt zich ietsje van het mijne.
“Ik heb Died net gebeld. Ik heb het uitgemaakt.”
Hoe mooi het ook gesproken mag zijn, ik moet nu toch echt een correctie maken in de geschiedenis van de wereldfilosofie. Ze was ontzettend dichtbij. Ze verwijderde zich van me, waarna ze zich onbeschrijfelijk bij me voegde. Een historische dag, waarmee Goethe’s citaat ontkracht is. Wat dichtbij was, bleef dichtbij. Het leven was een elastiekje, dat bijna knakte, maar niet helemaal. Waarmee ik begon, daar eindigde ik mee. Dichtbij. Dichtbij.
Comments
Echt heel goed geschreven!!!
heel vet geschreven man. genoten weer!
omg, wat is het weer vet man
Mooi, dat laatste stukje.
pretty lame imo... gay gay gay gay gay zomg yay halo3 beta!
sommige stukjes klinken echt zo lief ^^
je hebt trouwens een klein foutje gemaakt (A)
"Tassie, zoals we onze knuffelturk liefkozend noemen, maakt het niet al te bond. "
moet bont zijn...
Hey kerel, dit is het eerste verhaal/column/mini-boek wat ik van je lees. Ik vind het écht mooi geschreven en het leest ook lekker snel weg!
Heb wel eens wat pokerverhalen van je gelezen, maar dit ga ik in de gaten houden!!
Tom
Thanks 






kippenvel bij die laatste woorden, super once again serieus kippevel